< Terug naar homepagina CVN

Overzicht salons

Cultuurbeleving verschillende generaties

Moderator: 

Luc Devoldere, hoofdredacteur Ons Erfdeel

Sprekers: 

Griet Verschelden, Hogeschool Gent
Hans van Ewijk, Hogeschool Utrecht

Reflectie:

Maria De Bie, Universiteit Gent, vakgroep Sociale Agogiek
Kees Penninx, LESI, Landelijk Expertisecentrum Sociale Interventie

 

Uiteenzetting

In de visietekst  die eerder verscheen, wordt gepoogd het begrip ‘intergenerationaliteit’ nader te conceptualiseren door op de functie en betekenis van leeftijdscategorieën en generaties in te gaan en dit voornamelijk in de context van het sociaal-culturele. Men wenst op een kritische manier naar intergenerationele praktijken te kijken en naar het daarbij horende beleid. Men stelt een benadering voorop die uitgaat van het idee dat ontmoetingen en interacties tussen verschillende generaties een bron van vernieuwing, verademing en nieuwe solidariteit kunnen zijn. Dergelijke benadering staat in contrast met de in Vlaanderen en Nederland vaak voorkomende zorgelijke benadering waarbij intergenerationaliteit wordt geproblematiseerd en geconceptualiseerd als een uitdaging voor de samenhang en solidariteit in de samenleving. De drie krachtlijnen die in het stuk naar voren komen worden besproken.

In een eerste krachtlijn wordt gesteld dat men in het debat over intergenerationaliteit te vaak de nadruk legt op leeftijd. Leeftijd is een logisch fenomeen op basis waarvan men in de maatschappij bevolkingsgroepen classificeert. Toch schuilen er veel gevaren in deze classificaties. Door een te sterke nadruk te leggen op leeftijd, zet men het debat over intergenerationaliteit op het verkeerde spoor.

Hiervoor geeft men twee argumenten aan. Een eerste argument is dat het leeftijdscriterium wordt gebruikt om mensen in bepaalde groepen in te delen. Daardoor worden kenmerken toegeschreven aan groepen en niet aan de leden ervan. Jongeren en ouderen worden dus als aparte groepen gezien. De klemtoon hierbij ligt vooral op ‘vermeende’ tegenstellingen, terwijl bijna nooit wordt ingezoomd op gelijkenissen tussen jong en oud. Ouderen en jongeren worden gezien als relatief homogene groepen, terwijl de diversiteit binnen de groepen erg groot is. ‘Leeftijd’ is dus een gedecontextualiseerd en a-historisch concept, waardoor het een verhullend en misleidend criterium kan worden. Er wordt bijvoorbeeld te weinig rekening gehouden met andere variabelen (zoals gender, etniciteit, etc.) en met diverse sociaal-culturele contexten en situaties die niet in termen van variabelen zijn uit te drukken (zoals diverse vormen van belangstelling, competenties en ondersteuningmogelijkheden).

Een tweede argument is dat de nadruk op leeftijd de bestaanssituatie van mensen loskoppelt van de context waarin men leeft. Men kan de situatie waarin mensen leven pas echt begrijpen als men naar de ruimere structuren kijkt in de samenleving, die het leven van de leden bepalen. Jong en oud zijn dus helemaal geen aparte entiteiten, maar ze zijn het resultaat van sociale verhoudingen binnen een specifieke context in deze samenleving. We moeten er daarenboven rekening mee houden dat deze verhoudingen ook aan verandering onderhevig zijn. Wanneer men echter op een gedecontextualiseerde manier (en dus louter vanuit het leeftijdscriterium) naar jong en oud kijkt, zal men uitkomen op stereotype beelden en op normalisering, waarbij men tekortdoet aan de realiteit en de diversiteit in de samenleving.

We kunnen concluderen dat afgestapt dient te worden van de leeftijdsbenadering ten voordele van een leefwereldbenadering waar men ook durft te kijken naar verschuivingen in de maatschappij en naar de sociale organisatie.

Een tweede krachtlijn is het pleidooi voor een overgang van een sociaal-economische naar een sociaal-culturele benadering. In de 19de en 20ste eeuw had men vooral oog voor de sociaal-economische emancipatie. Hierbij stond het denken in universele categorieën (bijvoorbeeld klasse, sekse en leeftijd) en systemen (bijvoorbeeld de staat als eerlijke verdeler van goederen) centraal. De verschillende categorieën streefden naar een goede positie en erkenning. In deze visie worden jongeren en ouderen als concurrenten op de arbeidsmarkt gezien en denkt men na over solidariteit in termen van rechten en plichten. Ook vandaag zien we deze benadering nog in belangrijke mate op de voorgrond treden, bijvoorbeeld in het debat over de stijgende druk op de sociale zekerheid door de vergrijzing.

In de 21ste eeuw wint de sociaal-culturele benadering aan belang. De aandacht verschuift naar andere waarden en perspectieven, zoals sociale cohesie, community, en ‘samen’. Deze benadering is een welkome aanvulling op het sociaal-economische perspectief, omdat men hier meer en beter kan aansluiten bij de context en bij feitelijke processen over hoe mensen de realiteit werkelijk beleven. Het sociaal-culturele valt niet in universele normen te definiëren, maar het is contextueel, steeds anders. Daardoor krijgt creativiteit nieuwe kansen en kunnen we ontsnappen aan categorisering. Samenleven kan op deze manier gezien worden als een relationeel construct: de samenleving bestaat uit een verscheidenheid aan interacties, dialogen en afhankelijkheden tussen mensen. Verder is samenleven ook een cultureel project: leren leven met het besef dat er verschillende perspectieven op de werkelijkheid mogelijk zijn.

Een derde krachtlijn betreft een aanklacht tegen de zeer sterke vermethodisering van intergenerationaliteit. De inzet van ‘intergenerationeel werken’ is al te vaak het ontwikkelen en implementeren van methodieken. Deze methodieken kunnen betekenisvol en nuttig zijn, maar men zou verder moeten kijken dan alleen naar de methodiek. Het is belangrijk dat men zoekt naar een blijvende, verbindende, intergenerationele praktijk die is ingebed in een breder beleid. Een te eenzijdige kijk op de methodische aspecten, laat immers de historische invalshoek, de pedagogische aspecten en de sociaal-politieke keuzes in de schaduw staan. Bij een sterke vermethodisering zal men intergenerationaliteit willen creëren, terwijl intergenerationaliteit bij voorkeur een uitgangspunt zou moeten zijn. Men zet het debat dus op het verkeerde been doordat men de ideale samenleving als uitgangspunt heeft (via instituties en projecten). Het is belangrijk dat men deze normatieve uitgangspunten expliciet kan maken. Er wordt dus gepleit voor een analyse van concrete praktijken. De focus mag niet liggen op de uitkomst van methodieken, maar moet liggen op het eigen handelen van mensen.

 

Reflectie

Penninx is naar eigen zeggen verrast door deze diepgaande reflectie over intergenerationeel werken. Hij stelt dat het goed is om kritisch na te denken over de samenleving en over bepaalde categoriseringen. Hijzelf is pionier geweest bij het stimuleren van ontmoetingen tussen generaties en daaruit heeft hij enkele belangrijke dingen geleerd. Hij vertelt dat hij gezien heeft hoe belangrijk en leerrijk het is om deel te nemen aan intergenerationele groepen. Hij heeft mensen gezien die daar veel plezier en passie aan beleefden. Hierbij haalt hij het voorbeeld aan van een project waarbij senioren in een school in Nederland meewerkten en op die manier iets konden betekenen voor de kinderen die vooruitgang boekten in hun leerprestaties. Bovendien was het ook voor de ouderen een belangrijke ervaring. Wat voorheen een no-go-area was (de school voor jongeren en kinderen), werd op dat moment een ontmoetingsmogelijkheid. Een ander aangehaald voorbeeld is dit van een groepje Marokkaanse jongeren die een klussendienst vormden en gingen werken in woon- en zorgcentra. Op die manier kwam er een heel ander contact tussen de ouderen en de jongeren en werden heel wat vooroordelen de grond ingeboord. In dergelijke projecten ontdekte Penninx dat generaties veel voor elkaar kunnen betekenen. ‘Generatie’ is een historisch begrip dat ontstond vanuit de idee dat groepen mensen verschillen en een andere achtergrond hebben, maar in deze projecten wordt duidelijk bewezen dat deze verschillen interessant en overbrugbaar zijn.

Penninx verklaart dat hij het eens is met de krachtlijnen en dat het niet alleen om geregelde, maar ook om informele solidariteit moet gaan. We leven volgens hem in een soort ‘age segregated society’ waar het dus een uitdaging is om generaties die van elkaar zijn afgedreven weer bij elkaar te brengen. Ook in het sociaal werk zijn de leeftijdsafbakeningen vaak kunstmatige grenzen, organisaties en activiteiten worden vaak per leeftijdsgroep geregeld. Door intergenerationeel te werken, breng je dus niet alleen mensen bij elkaar, maar ook professionals. Ten slotte heeft Penninx het er in zijn reflectie nog over dat generaties niet als kalkeieren gezien moeten worden en dat het een samenleving is voor alle leeftijden. Hij pleit ervoor dat alle kuikens uit de eieren komen, zodat we kunnen merken dat we van elkaar kunnen leren, ongeacht, of juist dankzij verschillen in culturele achtergrond, sekse, generatie, enzovoort.

Maria De Bie stelt ze dat ze het een goede visietekst vindt, waarin goede accenten worden gelegd.

Ze geeft aan dat het leeftijdscriterium inderdaad gerelativeerd dient te worden. Zo is zij bijvoorbeeld gedurende 25 jaar de jongste medewerker op de vakgroep geweest, en na het pensioen van enkele professoren, was zij op een korte tijd ineens de oudste werkneemster. Dit is volgens haar het verhaal van heel wat mensen, en dit kan verwarring met zich meebrengen. Zo worden we ook aangespoord om jong te blijven, maar is de kans groter geworden om op andere gebieden in de samenleving (bijvoorbeeld economisch gezien) steeds op jongere leeftijd bij de ouderen gerekend te worden.

Ook zij pleit vervolgens voor een sociaal-culturele benadering waarbij men verder kijkt dan het economische en men een plaats geeft aan het informele en aan ontmoeting. De notie intergenerationele solidariteit is in die zin voor haar een mogelijkheid en een belemmering. De conceptualisering van intergenerationele solidariteit als verdwijnend en problematisch wordt volgens haar niet door empirische gegevens ondersteund. Onderzoekers zien bovendien ook graag wat ze zelf willen zien. Verder biedt het begrip ook mogelijkheden. De aangehaalde projecten van Penninx tonen dat mensen hieruit betekenis halen en wel degelijk dingen leren.

Ze sluit zich ten slotte aan bij Mannheim, die stelde dat ‘iedere generatie een reactie is op de vorige’. We moeten ons hierbij verder de vraag stellen waar het is fout gelopen, welke probleemsituaties door jong en oud bevonden worden. Het is belangrijk dat we problemen vanuit verschillende perspectieven durven bekijken en dat we grenzen kunnen verleggen. Zo zijn jong en oud vaak elkaars spiegelbeeld. Een voorbeeld hiervan is de in- en uitstroom op school en in de arbeidsmarkt.

 

Reactie van het publiek

Een eerste reactie is dat er in de visietekst weinig aandacht wordt besteed aan cultuurdomeinen die jong en oud samen kunnen beleven. Penninx ziet cultuur als ‘de alledaagse cultuur’ en legt hier dan ook de nadruk op in de praktijk en in onderzoek. Een voorbeeld hiervan is de buurt als cultuurdomein. Vooral kinderen, jongeren en ouderen maken gebruik van de cultuur van de buurt. Volgens De Bie sluit elke generatie aan bij verschillende culturele stromingen. Op elk domein verschillen deze stromingen waar zowel jong en oud zich in kunnen vinden. Er is wel een verschil tussen hoe bepaalde symbolen uit de cultuur gelezen worden. Zo heeft werk hebben voor ouderen een andere betekenis dan voor jongeren.

De invoering van een seniorentijdschrift dat in de stad veel stof tot discussie oplevert wordt hierna besproken. Dit zou gezien kunnen worden als een verspilling van overheidsgeld. Penninx voegt hieraan toe dat het Magazine Plus zich in Nederland op ‘de senior‘ richt, en er daarmee één grote categorie van maakt en dat er ook steeds mensen op de cover afgebeeld staan die minstens tien jaar jonger zijn dan de doelgroep van het magazine. De Bie geeft een voorbeeld van een hooggeschoold persoon die in een achtergestelde wijk woont. Zij krijgt informatie over het wijkgezondheidscentrum in erg makkelijke en eenvoudige taal, aangepast aan ‘de bewoners’ van de wijk. Zij voelt zich hierbij tekortgedaan. Mensen worden nu eenmaal niet graag beperkt tot één kenmerk dat men centraal stelt. Er zijn dus enorm veel verschillen tussen mensen en senior is hier slechts één aspect van. Senior is met andere woorden een beladen begrip.

     
Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland
Belliardstraat 15-17, bus 4
BE- 1040 BRUSSEL
< Terug naar homepagina CVN