< Terug naar homepagina CVN

Overzicht salons

Cultuur- en erfgoedtoerisme

 

Moderator:

Margot Generé, Nederlands Uitburo

Sprekers:

Wil Munsters, lector Toerisme en Cultuur aan de Hogeschool Zuyd Maastricht   
Marjan Melkert, lid Kenniskring Toerisme en Cultuur Hogeschool Zuyd   Maastricht

 

Wil Munster,  lector Toerisme en Cultuur aan de Hogeschool Zuyd in Maastricht, lichtte in het kort de resultaten van het afstudeerproject ‘Cultuur- en erfgoedtoerisme Nederland – Vlaanderen’ toe. Dit onderzoek werd gevoerd op vraag van CVN. Het bevat een analyse van Nederlands-Vlaamse cultuurtoeristische producten en van de markt. Een belangrijke vaststelling was dat het cultuur- en erfgoedtoerisme in Nederland en in Vlaanderen in de lift zit. Opmerkelijk is dat vele Vlamingen kennis maken met het Nederlandse cultuurtoeristische aanbod en omgekeerd. We kunnen dus spreken van een belangrijke wisselwerking tussen beide regio’s. De volgende trends werden aangehaald om de groei te verklaren:

  • De vergrijzing:  deze doelgroep telt vele hoger opgeleiden die interesse hebben voor kunst en cultuur. Zij zijn geïnteresseerd in monumenten, musea en belangrijke cultuursteden.

  • Steeds meer nemen mensen een korte vakantie. Dat heeft als gevolg dat men meer en meer opteert voor een citytrip, niet te ver van huis. Citytrips gaan vaak hand in hand met culturele bezoeken.

  • Ook de lokalisering als reactie op de toenemende globalisering en vluchtigheid van deze tijd waardoor steeds meer aandacht wordt geschonken aan het lokale erfgoed en de lokale geschiedenis.

  • Experience economy: we leven ook in een tijd waar men steeds meer op zoek gaat naar nieuwe belevingen, nieuwe ervaringen. De toerist wil zoveel mogelijk zintuiglijk geprikkeld worden.

 

Vervolgens werd er besproken wie nu de cultuurtoerist is. Welke zijn de interessante doelgroepen  waar het cultuurtoeristische product van Vlaanderen en Nederland zich op kan richten? In de studie onderscheidde men drie doelgroepen.

  • De cultuurzoeker: die heeft een hoge interesse in het cultuurtoeristische product. Hij is voortdurend actief op zoek naar cultuur en educatie.

  • De cultuurganger: voor hem primeert ontspanning tijdens de vakantie. Hij geeft daarom de voorkeur aan culturele fiets- en wandelroutes en evenementen. Af en toe brengt hij een bezoek aan een museum of monument.

  • De cultuurkijker: hij heeft weinig affiniteit met cultuur, maar wil vermaak, recreatie en sfeer.

 

Door het definiëren van die drie profielen kan men gericht inspelen op de vraag die iedere doelgroep heeft in verband met cultuurtoeristische producten. Voorts kunnen Vlaanderen en Nederland succesvol transversaal samenwerken om cultuurtoeristische producten te ontwikkelen en te verspreiden. Zo werd de actie van de NMBS “Nederland ontdekken” waarbij vervoer en vermaak hand in hand gaan en het aanbod van KRAS, waarbij verscheidene arrangementen van vervoer, verblijf en vermaak worden aangeboden, aangehaald als voorbeelden van succesvolle transversale samenwerkingen.

Er werd geconcludeerd dat Vlaanderen en Nederland behoefte hebben aan een rijk en gedifferentieerd cultureel aanbod, dat beantwoordt aan de vraag van de verschillende soorten cultuurtoeristen. Samenwerking tussen Vlaamse en Nederlandse cultuurtoeristische spelers is belangrijk, maar lang niet evident. Heterogeniteit en concurrentie kunnen deze samenwerking verzwakken. Ook de tegengestelde belangen van enerzijds de culturele sector, die zich vooral richt op het aanbod, het behoud en de educatie en anderzijds de toeristische sector, bij wie de marketing, de winst en de commerce het belangrijkste is, kunnen een bedreiging vormen. Bij transversale samenwerking zullen ook de verschillende overheden op verschillende niveaus, met verschillende financiële middelen moeten samenwerken.

Marjan Melkert, lid van de kenniskring Toerisme en Cultuur van de Hogeschool Zuyd Maastricht, besprak als praktijkvoorbeeld het grensoverschrijdende Interregproject Landmarks Grensschap Albertkanaal. Die “best practice” dient als voorbeeld van hoe er waardevol en grensoverschrijdend samengewerkt kan worden tussen Nederland en Vlaanderen op het gebied van cultuur- en erfgoedtoerisme.

Inwoners van de Vlaamse gemeenten Lanaken en Riemst en van de Nederlandse stad Maastricht werd gevraagd welke omgevings- en landschapspunten in hun regio belangrijk zijn voor hen. Die werden in kaart gebracht en werden gebruikt om verschillende wandelingen uit te tekenen. Op die manier werd de identiteit van het gebied gedefinieerd en kon de nadruk gelegd worden op “beleefbaarheid” en “betekenisgeving”. Concreet werden verschillende landmarks aangebracht met telkens een “kijkkei”  van waar men het landschap kan bewonderen, een informatiedrager die info verschaft over het specifieke landschap en zijn geschiedenis en ook een symbolische grenspaal. Ook werden op ieder punt een steeliep geplant. Deze inheemse boom dient dan als groene markering in het landschap van de landmark.

Wat maakt dit project, dat op 20 mei 2008 feestelijk geopend werd, nu zo bijzonder en succesvol? Ten eerste komt de kennis  over en de keuze van de landmarks van de inwoners zelf. Ook is het Grensschap Albertkanaal als onafhankelijke organisatie geen actiegroep en vormt dus geen bedreiging voor de politiek. In het  project werken verschillende overheden van Vlaanderen en Nederland succesvol samen, ieder naar eigen mogelijkheden. Zo verzorgt de stad Maastricht die administratie en coördinatie. De supervisie over het project wordt uitgevoerd door het Grensschap Albertkanaal en de gemeenten Lanaken en Riemst zorgen voor ondersteuning. Op die manier leven Vlaanderen en Nederland niet meer met de rug naar elkaar. Door samenwerking krijgt de regio weer een gezamenlijke identiteit.

Margot Gerené, directeur van het Nederlands Uitburo, die de vergadering voorzat, concludeerde dat Nederlanders en Vlamingen elkaars land vaak bezoeken, maar dat een intensivering nog mogelijk blijft. Dit door bijvoorbeeld meer gezamenlijke producten voor beide markten te ontwikkelen. Ook sprak ze over de tegenstelling tussen de belangen van de toeristische en de culturele sector. De uitgangspunten zijn verschillend, maar kunnen elkaar zeker ook versterken. Een concreet voorstel is om de Nederlandse en de Vlaamse cultuurdatabank aan elkaar te koppelen, waardoor beide agenda’s als een geheel ontsloten kunnen worden. Op die manier kan een veel groter publiek ook meer gericht bereikt worden. 

 

Aanbeveling

CVN moedigt Toerisme Vlaanderen en het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen, maar ook de lokale toeristische diensten aan om gezamenlijk nieuwe producten aan te maken op het gebied van cultuur- en erfgoedtoerisme. Dat kan voor de binnenlandse  klanten in het kader van het nabuurtoerisme, maar ook voor verre markten, waar “de Lage Landen” zeker cultuurtoeristisch als één pakket kunnen worden aangeboden.

CVN vraagt bijzondere aandacht voor het koppelen van de databanken van het Nederlands Uitburo en Cultuurnet Vlaanderen, zodat informatie over het culturele aanbod over en weer beschikbaar wordt.

Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland
Belliardstraat 15-17, bus 4
BE- 1040 BRUSSEL
< Terug naar homepagina CVN