![]() |
Creativiteit en innovatie. Culturele zuurstof voor de economieAntwerpen, 31 januari 2009Arenbergschouwburg, Arenbergstraat 28 | 12 u tot 21 u |
Creatieve Industrie
Moderator:
Wivina Demeester, gewezen Vlaams minister
Spreker:
Paul Rutten, Universiteit Leiden
Panel:
Jan Boelen, Z33 Hasselt
Marcel Smets, Vlaams Bouwmeester
Piet Stockmans, Studio Piet Stockmans
In het kader van de Grote Ontmoeting die de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland op 31 januari 2009 organiseerde in de Arenbergschouwburg te Antwerpen ontpopte de salon Creatieve Industrie zich tot een interessant debat over de beleidsaanbevelingen die naar aanleiding van de themadag Creatieve Industrie op 25 november 2008 in de Van Nelle Ontwerpfabriek in Rotterdam werden geformuleerd. Moderator Wivina Demeester (gewezen Vlaams minister) leidde de salon met Paul Rutten (professor media aan de Universiteit van Leiden), Jan Boelen (Z33, Hasselt), Marcel Smets (Vlaamse bouwmeester) en Piet Stockmans (kunstenaar).
Eerst en vooral stuurde het panel er op aan om het begrip ‘creatieve industrie’ nauwkeurig te definiëren. De creatieve industrie bestaat uit drie sectoren: ten eerste de culturele organisaties als onderdeel van de gesubsidieerde sector, vervolgens de zakelijke dienstverleners die werken volgens vraag en aanbod van de markt en tenslotte de creatieve bedrijven zoals de media- en entertainmentindustrie. Hoewel de gesubsidieerde instellingen door hun interafhankelijke relatie met de overheid op een volstrekt andere manier werken dan de private bedrijven, bestaat er een tendens waarbij de gesubsidieerde ondernemingen steeds meer marktgericht gaan werken (het cultureel entrepreneurschap). De beleidsaanbevelingen werden nog eens kort samengevat voor het publiek zodat er vervolgens een discussie kon starten over de rol van de creatieve industrie in de wereld van economie, kunst en design en de beleidsaanbevelingen die op de themadag Creatieve Industrie werden geformuleerd.
- Creatief ondernemerschap
In het kunstvakonderwijs moet meer aandacht aan ondernemersvaardigheden worden besteed, terwijl in management gerichte opleidingen meer aandacht voor de waarde van creativiteit nodig is. Dat zorgt voor een impuls van de creatieve industrie.
Ten eerste zou het artistiek ondernemerschap gestimuleerd kunnen worden, door er meer aandacht aan te besteden in de opleidingen. Er is een noodzaak om de zakelijke kennis in culturele organisaties op een structurele manier te vergroten. De ontwikkeling van managementcapaciteiten bij studenten in het kunstonderwijs zal de creativiteit in de bedrijfswereld zowel direct als indirect bevorderen.
- Financiering
De overheid moet zorgen voor specifieke fiscale stimuli, microkredieten en andere op de creatieve industrie toegesneden instrumenten. Dat is nodig omdat de creatieve industrie, door haar risicovolle karakter, minder goed uit de voeten kan op de kapitaalmarkt.
Idealiter zou er voor de financiering van culturele activiteiten een combinatie moeten zijn tussen subsidie en budgetten uit de vrije markt. De visie van de overheid op de creatieve industrie en plaats van cultuur daarin is fundamenteel gewijzigd. Om deze reden is Cultuurinvest ontstaan. Het instrument kan betekenis krijgen als aanvulling op het bestaande subsidiebeleid en zou een belangrijke hefboom kunnen zijn voor een professionelere culturele industrie in Vlaanderen.
- Buitenlandpromotie
De Vlaamse en Nederlandse overheid moeten samenwerken op het terrein van internationale promotie van hun creatieve industrie. Door samenwerking wordt meer aandacht gegenereerd, de internationale positie verbeterd en worden kosten bespaard.
Door de gemeenschappelijkheid van de Nederlandse taal is een gezamenlijke buitenlandse promotie mogelijk, vooral als er eenzelfde bezieling is (zoals voor literatuur).
- Recessie en creativiteit
In tijden van recessie is het van belang de creativiteit in economie en samenleving te koesteren en te bevorderen. Zij is een noodzakelijke voorwaarde voor innovatie en concurrentiekracht. De creatieve industrie speelt daarin een cruciale rol.
Ondanks de neiging om te besparen op het financieren van kunst en cultuur in tijden van economische recessie, doet men er net goed aan om nieuwe concepten en kansen te stimuleren in deze tijden.
- Digitalisering
De overheid moet de aanleg van breedbandige en grootschalige digitale bedrijfsnetwerken stimuleren omdat ze noodzakelijke samenwerking binnen de versplinterde creatieve industrie kunnen bevorderen.
Reactie van de panelleden
Piet Stockmans bijt het spits af door te stellen dat design en beeldende vormgeving wordt gekenmerkt door vage grenzen en eigenlijk niet in hokjes te plaatsen is. Bovendien is ‘creatieve industrie’ een valse term, omdat het suggereert dat er ook niet-creatieve industrieën bestaan. Elke industrie is per definitie creatief. Daarnaast geeft hij toe de Nederlanders te benijden voor de manier waarop ze zich internationaal profileren in de designwereld. ‘Ze staan er’, zegt hij, ‘ook als we spreken over hun ambassadeurs’. Piet Stockmans ziet voor de culturele sector in Vlaanderen ettelijke kansen voor een toekomstige Nederlands-Vlaamse samenwerking. Jan Boelen beaamt dat ‘creatief ondernemerschap’ er altijd al is geweest. Hij nuanceert echter dat er beter kan gesproken worden van ‘culturele industrie’ in plaats van ‘creatieve industrie’. Daarnaast bevestigt hij eveneens dat in tijden van crisis de creatieve noodzaak prominenter aanwezig is. Net dan zijn mensen op zoek naar zingeving en inspiratie. Artiesten en kunstenaars creëren betekenis, maar ondanks de recessie blijft de duurzaamheid van een culturele insteek bestaan. Dit is de duurzame component van de creatieve industrie. Marcel Smets voegt hieraan toe dat creativiteit en cultuur niet losgekoppeld kunnen worden van de economie, het sociale en maatschappelijke leven en de politiek omdat het de essentie is van alles. Vandaag circuleert er, ook in de media, een verkeerde perceptie over cultuur en creativiteit. Zo geeft hij het voorbeeld van de kledinglijnen van de winkelketen H&M die niet als mode worden bestempeld, in tegenstelling tot de kledij van modehuizen.
Reactie van het publiek
Naast de financiële stimulering is het noodzakelijk om aandacht te hebben voor de ontwikkeling van een ruimte voor creatieve ideeën zodat cross-overs kunnen worden gemaakt in plaats van dat er vooral toepassingen worden gezocht, zoals nu het geval is. Er moet met andere woorden aandacht worden besteed aan ruimte voor ideeën die kunnen worden ontwikkeld. Een ruimte waarin alles kan en die vandaag afneemt vanwege de nadruk op toegepast onderzoek. Als voorbeeld wordt Phillips aangehaald, waar men toch nog steeds op een ‘flashy’ manier ontwikkeld. Creativiteit is broodnodig maar moeilijk te bewerkstelligen voor kleine ondernemingen die de tijd en het extra personeel niet hebben om er ‘ruimte’ voor te maken. Zonder vernieuwing verdwijnt echter de markt, daarover is iedereen het eens. Het concept van innovatie is doorheen de jaren veranderd. Tegenwoordig wordt hoogtechnologisch werk in combinatie met andere creatieve prestaties gebruikt, wat de kern is van het algehele concurrentievoordeel van de sector.
Ook komt er een vraag uit het publiek of er eerder gepleit moet worden voor open innovatie, of eerder voor ondersteuning van de innovatieve branches in moeilijke tijden? Hier worden de pijnpunten van het subsidiebeleid in Vlaanderen en Nederland aangehaald, want controle en evaluatie door de overheid van het subsidieproces brengen ook enkele nadelen met zich mee. Als voorbeeld wordt De Lijn (busmaatschappij Vlaanderen) genomen, waar een integrale benadering wordt gehanteerd en waar men over technieken en culturele benaderingen heen kan samenwerken. Net dat integrale is een zeer belangrijke, holistische manier van ontwerpen zonder te weten waar we naartoe gaan. Op voorhand zeggen wat je wil bereiken als criterium in een subsidiedossier beknot de creatieve daad en het proces. Door de subsidie- en regelgeving worden vele creatieve processen gefnuikt en worden er kansen gemist. Het bureaucratische systeem lijkt dan ook vaker tegen dan mee te werken.
Twee elementen van samenwerking werden door het publiek aangehaald als zijnde interessant: de mogelijkheden die risicofinanciering zoals Cultuurinvest met zich meebrengt voor projecten waar de banken niet tussenbeide willen komen, en de tendens naar een ver gevorderde digitalisering die het probleem van versnippering opheft en de snelheid van interactie verhoogt. Breedbandnetwerken aanleggen is de boodschap. Daarnaast is het bijsturen op educatief niveau van belang, want er wordt in het onderwijs nog te weinig gefocust op de mogelijkheid om actief samen te werken met kunstenaars, bijvoorbeeld in de architectuur. Door specialisatie zijn we het contact verloren. We moeten een lans breken voor een opleiding ‘allround-creatieveling’.
Het gebruik van het begrip ‘creatieve industrie’ wordt verantwoord door de historische basis waarop de term is gegroeid en verspreid geweest in Europa. Internationaal wordt er gesproken over ‘creative industries’ en dus hebben we de term hier overgenomen. Dit was een pragmatisch besluit. De ambiguïteit van benamingen komt verder aan bod in de discussie over de terminologie in de design- en vormgevingscene waarin Nederland zeer positief wordt voorgesteld, maar ‘dutch design’ te zeer gemerkt is. Men pleit voor de gezamenlijke presentatie van Vlaams en Nederlands design omdat er dan gewoon méér is om te laten zien. Winst kan hieruit worden gegenereerd tenzij de stijl dermate verschillend is. Het zou in ieder geval realistisch zijn om vanuit een efficiënt en cultureel standpunt te overwegen of er een match is tussen design uit Vlaanderen en Nederland, zodat er een synergetische kracht kan ontstaan die de creativiteit en cultuur laat groeien.
Tenslotte wordt nog gesteld dat de samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland niet zomaar leuk oogt, maar ook noodzakelijk is vanuit Vlaams oogpunt, aangezien Nederland beter georganiseerd en opener is. De diversiteit moet echter ten allen tijde erkend worden, zodat synergie niet afbrekend maar verrijkend werkt. Het is niet de bedoeling dat beiden in elkaar opgaan, waardoor er goed met elkaar moet worden afgesproken wat de boodschap is die men wil overbrengen.
Aanbeveling
Ook in tijden van recessie moet er gewerkt worden aan de ontplooiing van creatieve en culturele inspiratie in kleine en grote bedrijven. Voor de mode-industrie, design, architectuur, muziek (B-rock), etc. zou dit een nieuwe ontwikkeling in nieuwe omstandigheden kunnen zijn. We zouden ons als Vlaanderen en Nederland samen internationaal kunnen promoten en profileren wat betreft de culturele en creatieve industrie, zonder de eigenheid te verliezen. Samen, maar toch gedifferentieerd. Op de Biënnale van Venetië bijvoorbeeld bezetten Nederland en België twee verschillende paviljoenen. Waarom wordt dit niet één in de toekomst? We zouden graag met onze eigenheid de creatieve industrie willen ontwikkelen. De radioboeken zijn hier een voorbeeld van. Een aanbeveling aan de Vlaamse Overheid (via-project) zou dan ook zijn om de innovatieve economie open te trekken naar de creatieve industrie.
