Blog
Quirine van der Hoeven gepromoveerd op vergelijkende studie naar effectiviteit van Vlaams en Nederlands cultuurbeleid
Woensdag 15 februari 2012 - Reageer als eerste
Gistermiddag heeft Quirine van der Hoeven de doctorstitel in ontvangst genomen aan de Universiteit Utrecht als kroon op haar dissertatie Van Anciaux tot Zijlstra. Cultuurbeleid en cultuurparticipatie in Nederland en Vlaanderen. De dissertatie is als wetenschappelijk rapport gepubliceerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau.
In een vuistdik werk maakt Van der Hoeven een vergelijking tussen het Nederlandse en Vlaamse cultuurbeleid in de periode 1999-2009 om twee onderzoeksvragen te beantwoorden:
1) Wat is in de periode 1999-2009 het beleid geweest van de Nederlandse rijksoverheid en de Vlaamse Gemeenschap om de cultuurparticipatie te verhogen en in welke opzichten verschilt dat beleid van elkaar?
2) Tot welke resultaten hebben de maatregelen ter verhoging van de cultuurdeelname in Vlaanderen geleid en in hoeverre verschillen die van de resultaten die in Nederland werden geboekt met het specifieke cultuurbeleid van de rijksoverheid?
Aan de beantwoording van de eerste vraag gaat een historische beschrijving vooraf van het ontstaan van het cultuurbeleid in Vlaanderen en Nederland op basis van staatsrechtelijke, politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Om de tweede vraag te beantwoorden geeft ...
Vlamingen aangestoken door Nederlandse ijsgekte
Maandag 6 februari 2012 - Reageer als eerste
De strenge vorst zorgt in Nederland voor ware schaatskoorts. De schilderijen van Hendrick Avercamp (zie afbeelding) worden eventjes werkelijkheid nu jong en oud de schaatsen onderbindt en zich na afloop van een ijzige tocht over vijvers of slootjes tegoed doet aan snert of koek en zopie. De Vlamingen zijn allesbehalve immuun voor deze wintercultuur. Vlaams dagblad Het Nieuwsblad drukte vandaag een artikeltje af met de openingszin: “Terwijl het bij ons in Vlaanderen nog bijna overal verboden is om te schaatsen in de natuur, wordt er in Nederland geschaatst dat het een lieve lust is.” Het artikel citeert verschillende Vlaamse families die dit weekend de grens over trokken om plezier te maken op het ijs.
De ijsgekte slaat echt toe nu ook in Vlaanderen het nieuws rond een eventuele Elfstedentocht op de voet gevolgd wordt. Het is deze maandagochtend bijvoorbeeld voorpaginanieuws op de website van Vlaams dagblad De Standaard. Er valt een uitgebreid verslag lezen van de laatste persconferentie van de Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden over de ijscondities op de route van de tocht, inclusief twitterfontein #elfstedentocht om van minuut tot minuut op de hoogte te blijven. De Standaard trakteert haar lezers meteen op een lesje in de Friese taal met de legendarische slagzinnetjes, nu nog in vraagstelling en straks hopelijk in bevestigende vorm: ‘Sil it heve?’ (‘Gaat het gebeuren?’) en ‘Giet it oan?’ (‘Gaat het door?’).

Afbeelding: de Nederlandse Elfstedentocht is ook in Vlaanderen voorpaginanieuws.
Hoe overbruggen we de belemmeringen in de Vlaams-Nederlandse samenwerking?
Dinsdag 31 januari 2012 - Reageer als eerste
Op 28 januari hield het ANV zijn nieuwjaarsbijeenkomst in de Burgerzaal van het Oude Stadhuis in Middelburg. Wim van Gelder, Nederlands voorzitter van CVN, hield in ‘zijn’ Zeeland de lezing “Hoe overbruggen we de belemmeringen in de Vlaams-Nederlandse samenwerking”.
Nagenieten met foto’s van Vlaams popfestival ‘Ik zie u graag’ te Breda (2 t/m 4 december)
Donderdag 22 december 2011 - Reageer als eerste
In het eerste weekend van december stond het Bredase Poppodium Mezz in het teken van popmuziek van Vlaamse bodem. Die muziek, zo blijkt uit de hitlijstjes van het afgelopen jaar, zit enorm in de lift. De Intergalactic Lovers, Mintzkov, School Is Cool, Broken Glass Heroes, Yuko, Teddiedrum… het is slechts een greep uit de grote groep Vlaamse bands en formaties die momenteel naam maakt in Europa, én gestrikt was voor het festival ‘Ik zie u graag’. Maarliefst vijfentwintig acts prijkten er op het affiche, verdeeld over drie festivaldagen. Hieronder vindt u een foto-impressie van deze drie dagen. Voor nog veel meer mooie beelden kijkt u op de website van Poppodium Mezz.

Charlie Jones' Bigband (credits: Edwin van de Rijke)

Mintkov (credits: Edwin van de Rijke)

Yuko (credits: Edwin van de Rijke)
Wilt u graag op de hoogte blijven? Mezz programmeert regelmatig Belgische artiesten in Breda. De volgende concertdata zijn:
8 januari '12: Little Trouble Kids (gratis toegankelijk in Mezz café)
21 januari '12: Ca Va? Ca Va!: TMGS (gratis toegankelijk in Mezz Café)
26 januari '12: Geike (ex-Hooverphonic)
8 maart '12: Admiral Freebee (solo)
23 maart '12: Horses On Fire (gratis toegankelijk in Mezz café)
Stevige duellen tijdens debat over Vlaams-Nederlandse samenwerking in onderwijs en media op 2 december in Amsterdam
Donderdag 22 december 2011 - Reageer als eerste
Op 2 december organiseerden Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond, de Nederlandse Taalunie, Ons Erfdeel vzw, Vlaams-Nederlands Huis deBuren en CVN in Amsterdam een debat over de toekomst van Vlaams-Nederlandse samenwerking op het gebied van onderwijs en media. Delen Vlaanderen en Nederland nog genoeg met elkaar om innig met elkaar samen te werken? Zijn er genoeg ideeën en kansen? Hieronder leest u alvast een aantal straffe stellingen die de keynotesprekers innamen; het volledige verslag van de speeches én de paneldebatten kunt u lezen in de eerstvolgende aflevering van tijdschrift Ons Erfdeel dat begin februari verschijnt.
De twee debatten over enerzijds onderwijs en anderzijds media vonden na elkaar plaats. Ze werden beide aangevuurd met twee pittige stellingen.
Marktwerking stimuleert excellentie en Hoger collegegeld zorgt voor beter onderwijs
De eerste keynotespreker voor het debat over onderwijs Geert Buelens (Universiteit Utrecht) ging direct hard in tegen de stelling Marktwerking stimuleert excellentie, onder meer vanuit zijn eigen ervaring als chair aan de Universiteit van California in Berkeley en als fellow aan de Library of Congress in Washington DC: “Wie beweert de toverformule gevonden te hebben in de vrije markt verdient het grootste wantrouwen. Het gevolg zie je immers nu al volop in de VS: daar heb je prachtige elite-universiteiten naast massa-educatiefabrieken”.
Naar aanleiding van de tweede stelling Hoger collegegeld zorgt voor beter onderwijs bepleitte de tweede keynotespreker Arjen Van Witteloostuijn (Universiteiten van Antwerpen, Tilburg en Utrecht) voor meer autonomie voor universiteiten om zich te profileren en studenten ‘op maat gemaakt’ te faciliteren: “De overdaad aan bemoeizucht en regelgeving voorziet universiteiten van een keurslijf dat concurreren met vooral de Amerikaanse voorhoede bij voorbaat tot een hopeloze exercitie maakt”, zei Van Witteloostuijn. Zijn voorstel luidde: laat universiteiten aan de aanbodzijde meer concurreren en laat aan de vraagzijde studenten vrijer op zoek gaan naar de studie die het best bij hen past.
Eén publieke zender voor cultuur en informatie en Fuseren om te overleven
Joop Daalmeijer, naar eigen zeggen ‘reserve-Vlaming’ en sinds kort de voorzitter van de Nederlandse Raad voor Cultuur, verdedigde als keynotespreker met verve de stelling Eén publieke zender voor cultuur en informatie. Hij ziet voldoende mogelijkheden op de markt voor een nieuw Vlaams-Nederlands tv-kanaal voor cultuur en informatie met een gemengde Vlaams-Nederlandse redactie waardoor Vlamingen rechtstreeks kunnen genieten van het Amsterdamse Concertgebouworkest en Nederlanders op hun beurt van de Brusselse Muntschouwburg.
Het voorstel van Daalmeijer liep uit op een levendig debat waarbij de tweede keynotespreker Hans-Maarten van den Brink (Mediafonds Nederland) het duel niet schuwde. Hij stelde dat het concept van het televisiekanaal zijn langste tijd gehad heeft: het aanbod beweegt zich steeds meer richting service on demand, waarbij de kijker zelf bepaalt wanneer hij wat kijkt. In plaats van een nieuw televisiekanaal stelde hij voor om de Vlaams-Nederlandse samenwerking te richten op radioproductie: “Dat is handzamer, goedkoper en makkelijker dan een nieuw tv-kanaal.” En omdat vooral taal Nederlanders en Vlamingen bindt, dacht hij ook aan een fonds voor gesproken woord: poëzie, luisterspelen, kortverhalen.
Bent u inmiddels nieuwsgierig geworden naar de reacties van de panelleden op de stevige stellingen van de keynotesprekers en de uiteindelijke slotsom van de twee debatten? Het integrale verslag verschijnt in het eerstvolgende nummer van tijdschrift Ons Erfdeel!
Deze CVN-blog kwam tot stand met medewerking van Ons Erfdeel vzw.
Marktwerking in het hoger onderwijs (door Arjen van Witteloostuijn)
Woensdag 30 november 2011 - Reageer als eerste
Onderstaand essay is een bijdrage aan het debat over Vlaams-Nederlandse samenwerking in het onderwijs, dat op 2 december plaatsvindt in De Brakke Grond te Amsterdam.
Door Arjen van Witteloostuijn
Marktwerking in het hoger onderwijs[1] bestaat allang. Dat ontkennen is struisvogelpolitiek. Robbert Dijkgraaf – de KNAW-president die bekend is van De wereld draait door en Pauw & Witteman – vertrekt naar Princeton. Princeton biedt veel betere faciliteiten en veel hogere salarissen dan welke universiteit in Europa, België of Nederland dan ook. Dat is marktwerking. Jong Chinees toptalent gaat eerst op zoek naar een studieplek op een Amerikaanse (top)universiteit. Alleen als dat niet lukt, wordt mogelijk het vizier op Europa en Nederland gericht – bij gebrek aan beter. Ook dat is marktwerking.
Op internationale ranglijsten van universiteiten doet Nederland het niet slecht. Volgens de prestigieuze Times Higher Education World University Rankings 2011-2012 staan twaalf Nederlandse universiteiten in de mondiale top-200. Dat brengt het kleine Nederland op de derde plaats achter de veel grotere Verenigde Staten en het flink grotere Verenigd Koninkrijk. Alle Nederlandse universiteiten zijn echter pas buiten de top-40 terug te vinden. Helaas weten Belgische universiteiten zich niet of nauwelijks een positie op dergelijke lijstjes te verwerven. En dat geldt niet alleen voor België. De Europese achterstand op de Amerikaanse top is enorm. Alleen Cambridge en Oxford weten zich – met moeite – in die top te handhaven. Ook Zwitserland houdt het hoofd boven water, en hier en daar doet een Scandinavische universiteit het heel behoorlijk. Voor het overige is vooral het huilen met de pet op. Oostelijk en zuidelijk Europa zijn – grosso modo – een universitaire woestenij, met verstolde en achterhaalde landen-specifieke structuren die getuigen van provinciale kortzichtigheid.
Dat is zorgwekkend. In de 21ste eeuw van de kenniseconomie speelt het hoger onderwijs een sleutelrol. Zonder excellent hoger onderwijs wordt de mondiale concurrentieslag verloren. In Azië wordt met volle kracht gewerkt aan de verbetering van het hoger onderwijs. China gaat met grote stappen vooruit. In een dergelijke wereld is stilstand achteruitgang. En in Europa is het nog erger: bijna overal wordt het hoger onderwijs gezien als een bron van bezuinigingen. Ook in België en Nederland zakt de financiering per student jaar in jaar uit verder in. Dat proces van sluipende afkalving is inmiddels decennia onderweg. Op een continent dat te kampen heeft met vergrijzing en verstarring, is een deltaplan voor het hoger onderwijs broodnodig. Het hart van een dergelijk deltaplan moet een drastische versterking van marktwerking zijn, naast een substantiële verhoging van de investeringen in het hoger onderwijs.
Versterking van marktwerking impliceert dat overheden universiteiten moeten loslaten. De overdaad aan bemoeizucht en regelgeving voorziet universiteiten van een keurslijf dat concurreren met vooral de Amerikaanse voorhoede bij voorbaat tot een hopeloze exercitie maakt. De slag is verloren voordat-ie is begonnen. De universiteiten beschikken simpelweg niet over de vrijheden die nodig zijn om de Robbert Dijkgraafen en Chinese toptalenten van deze wereld een tegenbod te kunnen doen dat tot het besluit leidt in Europa te blijven of naar Europa af te reizen. Europese universiteiten moeten opereren in een centralistische regelkooi die overeenkomsten vertoont met een Stalinistische planeconomie. Dat die niet werkt, heeft de geschiedenis overtuigend aangetoond.
De concurrentieslag om het mondiale toptalent vindt plaats op twee markten: die voor stafleden en die voor studenten. De ene markt is onlosmakelijk verbonden met de andere. Op beide markten zijn Europese universiteiten zwakke concurrenten die het afleggen tegen Noord-Amerikaanse en – in toenemende mate – Oost-Aziatische tegenvoeters. Daarom zijn op beide terreinen omvangrijke hervormingen onvermijdelijk. De markt voor opleidingen moet worden open gebroken. Universiteiten moeten studies naar eigen goeddunken kunnen openen, veranderen en sluiten. Studiecapaciteiten en collegegelden moeten worden vrijgegeven. Dat leidt tot de gewenste differentiatie en innovativiteit, met universiteiten die investeren in activiteiten waarmee zij de concurrentieslag hopen te overleven. Universiteiten die uitblinken, worden rijker. Zij bouwen aan de excellentie van de toekomst. Zij kunnen toptalent aan zich binden – stafleden en studenten. Zodoende ontstaat vanzelf een hoger-onderwijslandschap met de noodzakelijke pieken, die wereldtalent naar Europa kunnen halen en aan Europa kunnen binden.
Natuurlijk is Europa geen Verenigde Staten. Vooral in de sfeer van de toegankelijkheid van universiteiten kan en moet Europa zich onderscheiden. Een intelligent beurzen- en leenstelsel zal ervoor garant moeten staan dat elk studententalent, arm of rijk, zich een studie aan zo’n nieuwe topuniversiteit kan veroorloven. Maar goedkoop is duurkoop. Dure en excellente opleidingen vormen een tweesnijdend zwaard. Zij genereren de inkomsten die nodig zijn om op de wereldmarkt met armslag te kunnen concurreren. En zij leiden de toptalenten op zonder wie die succesvolle kenniseconomie een illusie is en blijft.
Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de universiteiten van Antwerpen, Tilburg en Utrecht.
[1] Deze verhandeling gaat over universiteiten – niet over hogescholen. Over de noodzaak van een groter in plaats van een kleiner onderscheid tussen beide vormen van hoger onderwijs kan een omvangrijke afzonderlijke verhandeling worden geschreven. Helaas gaat de beweging in veel Europese landen, zeker ook in België en Nederland, juist de andere kant op, met een contraproductieve “academisering” van hogescholen.
"Cultuur heeft mijn primaire enthousiasme". Interview met Joop Daalmeijer.
Dinsdag 22 november 2011 - Reageer als eerste
Na een turbulente tijd voor de Raad voor Cultuur, met een advies dat de Staatssecretaris naast zich neerlegde met het vertrek van voorzitster Els Swaab als gevolg, staat er nu een nieuwe visionair aan het hoofd van dit sleutelorgaan. Joop Daalmeijer, lid van CVN, leidt vanaf heden het belangrijkste adviesorgaan op het gebied van cultuur- en mediabeleid. Hoog tijd voor een onderonsje, om zijn eerste gedachten over zijn nieuwe functie te horen. Hieronder leest u het verslag van het gesprek dat we voerden met Joop, onder het genot van een kop koffie in het beruchte Haagse etablissement De Posthoorn.
Kijken wat we kunnen doen
“Een geschenk” noemt Joop Daalmeijer zijn aanstelling tot voorzitter van de Raad voor Cultuur in Nederland. “Cultuur heeft mijn primaire aandacht en ook mijn primaire enthousiasme, dus ik vind dit buitengewoon prettig. Of het nou gaat om literatuur of architectuur, of het gaat om moderne dans, klassieke of hedendaagse muziek, ik vind het een fantastische wereld, met geweldige mensen die er werken, die ondanks alles enthousiast blijven.”
Dat het barre tijden zijn voor de culturele sector ontkent Daalmijer niet. “Als staatssecretaris Halbe Zijlstra ergens binnenkomt gaat er boegeroep op. Dat wil hij veranderen. Ik heb niet voor dit kabinet gestemd. Het is niet mijn kabinet. Maar over een paar jaar komt er misschien een ander. In ieder geval wil ik samen met het kabinet kijken waar er ruimte is, waar er marges zijn om een aantal zaken te verwezenlijken. Kijken wat we kunnen doen, en dat zal over twee kabinetten heengaan, dat is ook altijd interessant.”
CVN: “Denkt u dat u de koers van het kabinet op cultureel gebied kan bijsturen?”
“We moeten kijken waar de marges liggen. Als je adviezen schrijft en daarbij formuleringen kiest die bij dit kabinet totaal niet binnen de politieke bandbreedte vallen, dan kan je het net zo goed niet schrijven. Het is belangrijk om te zoeken waar nog ruimte is, op het stuk van fiscaliteit, op het stuk van de nieuwe Geefwet, als het gaat over cultureel ondernemen, als je kijkt naar ontwikkeling van talent. Er zijn meer begrotingen dan alleen die voor cultuur. Het is de vraag waar ruimte zit en waar je dingen samen op kunt pakken.”
“De bezuinigingen van 200 miljoen kunnen we niet terugschroeven. Maar als we kijken naar de financiering van de culturele instellingen is er meer dan alleen maar subsidiëring. De nieuwe Geefwet biedt mogelijkheden. Fiscaal aantrekkelijk geven moet ook mogelijk worden voor mensen zoals jij en ik, die geen miljoenen op de bank hebben staan. Je moet kijken of je de drempel wat kunt verlagen”. Maar, zo relativeert Daalmeijer: “Het zal nooit die tweehonderd miljoen [aan bezuinigingen, CVN] goedmaken.”
Daalmeijer noemt ook het cultureel ondernemen als gebied waar voor de sector nog kansen liggen. “Het Gelders orkest en het Orkest van het Oosten vinden nieuwe vormen van financiering en optreden waarmee ze toch precies doen waarvoor ze opgericht zijn: namelijk muziek naar het publiek brengen. Dat is een voorbeeld van nieuwe businessmodellen die je in de gaten moet houden.”
Ook het doen van ondersteunend onderzoek weegt voor Daalmeijer zwaar: “Annick Schramme aan de Universiteit Antwerpen doet buitengewoon interessant onderzoek op het gebied van cultureel ondernemen. Dat is in Nederland nog een beetje onderontwikkeld. In Vlaanderen ligt men daarop voor. Vandaar dat we in gesprek moeten over de grens heen.”
Daalmeijer wil de komende tijd vooral rondkijken in andere landen, om te zien hoe de bloei van het culturele leven zich verhoudt tot de hoogte van steun die de lokale overheid eraan geeft. “Uit onderzoek is gebleken dat het niet zo is dat de cultuurbeleving achteruit gaat in landen waar cultuursubsidiëring wordt teruggeschroefd. Dat is een interessante vaststelling. Maar, om daar te komen heb je een periode van aanloop nodig. En in Nederland komen we uit een situatie waarin we gewend waren aan de zekerheid van subsidie.”
Kunstonderwijs met ruimte voor talent
Daalmeijer is van mening dat vooral de ontwikkeling van nieuw artistiek talent in het huidige kabinetsbeleid een ondergeschoven kindje is. "Talentontwikkeling is heel belangrijk, en het is jammer dat dit grotendeels is weggevallen. Culturele instellingen moeten zelf zorg dragen voor die talentontwikkeling en ik denk dat we veel inspanning moeten leveren om te zien of we daar geld voor kunnen vinden.” Daalmeijer noemt onder meer het Haagse Residentie Orkest, dat rechtstreek contact onderhoudt met het Haags Conservatorium. “Het orkest geeft aan leerlingen van het conservatorium heel wat kansen, bijvoorbeeld om mee te spelen bij de eerste violen. Zo ontwikkel je talent.” Daalmeijer ziet ook kansen om het kunstonderwijs op de lagere en middelbare school te verbeteren: “De departementen voor Cultuur en Onderwijs moeten op dat vlak beter gaan samenwerken.”
Cultuur golft over de grens heen
Ook in het publieke medialandschap is er de afgelopen tijd nogal wat veranderd. We vragen Daalmeijer, mediaman par excellence, naar zijn visie hierop:
“Er gaat 128 miljoen af van de mediabegroting. Dat is een gegeven, en heeft opgeleverd dat omroepen in Nederland zich anders zijn gaan opstellen. Solistische organisaties zijn nu onderdeel van een cluster, naast een klein aantal stand alone organisaties. Juist die laatste groep vormt het zout in de pap. Ik vind het jammer dat deze organisaties minder geld krijgen dan de gefuseerde omroepen. Extra geld voor een fusie is goed, anders beweegt men niet. Maar nu gaat het ten koste van de omroepen die alleen blijven en dat zou in de toekomst misschien bijgetrokken moeten worden.”
Ook voor het omroepbestel in zijn nieuwe vorm is het volgens Daalmeijer cruciaal om eigen producties te blijven brengen. “In zo’n klein taalgebied is dat kostbaar, maar moet je het toch doen. In dat kader moet je over de grens heen kijken. Kunst en cultuur houdt niet op aan de grens, dat golft er overheen.” Het argument dat de Nederlandse en Vlaamse taal teveel van elkaar zouden verschillen, wijst hij resoluut van de hand: “Luister, als ik naar een Zweedse serie kijk versta ik het ook niet. In die gevallen ondertitel je gewoon.” Vandaar de oproep van Daalmeijer: “Kom tot samenwerking, kijk over je schutting heen. Belangrijker dan verschillen is dat de taal ons altijd blijft binden.”
Meer mensen laten meegenieten van subsidie
CVN: “Zou u een advies durven geven voor méér zendtijd voor cultuur op de Nederlandse televisie?”
“Ik zou het graag willen. Maar daar treed je in de onafhankelijkheid van organisaties.” Desalniettemin doet Daalmeijer een gooi. Hij pleit voor een afspraak tussen de publieke omroepen van Vlaanderen en Nederland om samen te werken bij de programmering van cultuur op de digitale televisie. Verschillende zenders, met op primetime culturele producties uit het eigen land. Daar omheen kunnen de Vlaamse en Nederlandse collega’s elkaars producties uitzenden. “Ik wil graag in Nederland ook de laatste operaproductie van de Koninlijke Muntschouwburg zien. Die zien wij hier niet.” Maar er valt een kanttekening bij te maken: “Je zit hier met een probleem van auteursrechten. We moeten zoeken naar oplossingen die de rechten betaalbaar maken.”
Hij voegt hieraan toe: “Het is juist nu belangrijk om het publieksbereik van producties te vergroten. Een voorbeeld is De Nederlandse Opera, waarvan producties vaak beperkt blijven tot acht voorstellingen. Daardoor bereiken ze maximaal het aantal van 20.000 bezoekers. Op dit beperkte aantal bezoekers valt het totale bedrag aan subsidie terug. Als je het publieksbereik vergroot door de productie bijvoorbeeld uit te zenden op de openbare omroep, dan genieten meer mensen van de subsidie die erin gestopt is. Dat maakt het draagvlak van zo’n organisatie groter.” Naast het vergroten van het publieksbereik ziet Daalmeijer nog een voordeel: “Ook voor sponsoren is het aantrekkelijk wanneer het bereik van de door hen gesponsorde producties, en daarmee hun zichtbaarheid toeneemt. Ze krijgen als het ware een tweede venster voor hun reclame-uiting. Daar moet de wetgeving voor aangepast worden.” En ook hier noemt Daalmeijer de auteursrechtenkwestie de belangrijkste barrière die om een snelle oplossing vraagt.
Daalmeijer vindt het belangrijk dat de Nederlandse topinstellingen ook in de toekomst op steun van de overheid kunnen blijven rekenen, ook al lijkt het geïnteresseerde publiek af te nemen. CVN: “Als u dan kiest voor de instandhouding van een breed aanbod cultuur inclusief dure vormen zoals opera, ziet u het dan ook als speerpunt voor de Raad voor Cultuur om de komende jaren op zoek te gaan naar mogelijkheden om nieuw en jong publiek te werven?"
Daalmeijer: “Ja. Het vergroten van het publieksbereik is ook een expliciete opdracht van de Staatssecretaris, waar het de organisaties betreft die hij blijft ondersteunen.
CVN: "Tot slot, hebt u al een afspraak gehad met de Staatssecretaris?"
“Ja zeker, we hebben inmiddels verschillende gesprekken gevoerd. Hij vertegenwoordigt het beleid dat vaststaat en uitgevoerd moet worden; tegelijkertijd zie ik hem als een gesprekspartner. En dat werkt. Hij luistert. Hij moet binnen de gestelde financiële kaders blijven, zoveel is duidelijk. Maar hij zoekt ook naar betere contacten met de culturele sector.” En juist daar ziet Daalmeijer een rol voor zichzelf weggelegd.
Door Guy Janssens en Charlotte Rommes
Pleidooi voor hernieuwde geschiedschrijving van de Nederlanden 1813-1815 (door Vlaamse voorzitter van CVN Herman Balthazar)
Woensdag 9 november 2011 - Al 1 reactie
De jaren 1813, 1814, 1815 verdienen historiografisch een bijzondere aandacht voor de geschiedenis van Vlaanderen/België en van Nederland vanuit drie perspectieven, de eigen nationale geschiedenis, de gezamenlijke en de Europese geschiedenis.
De grote ‘volkerenslag’ nabij Leipzig van 16 tot 19 oktober 1813 liep uit op een beslissende nederlaag van keizer Napoleon. Het einde van de Europese oorlogen kwam in zicht. Het werd tevens een keerpunt voor de revolutionaire tijd die alle Europese landen min of meer had beroerd vanaf de jaren 1780.
Voor de geschiedenis van de Nederlanden werd het wel een zeer bijzonder keerpunt.
In het Noorden (de oude Verenigde Provinciën) kwam er op korte tijd de consensus om een nationale eenheidsstaat op te richten met prins Willem Frederik van Oranje-Nassau, zoon van de laatste Stadhouder als staatshoofd. Op 2 december 1813 trad hij aan als Koning Willem I.
In het Zuiden (de oude Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsdom Luik) begon de Franse uittocht iets later, in februari 1814. Het nationaliteits- en identiteitsbesef was er veel minder afgelijnd dan in het Noorden, maar een terugkeer naar de situatie van voor 1794 leek uitgesloten.
Een oplossing tekende zich af met inspiratie en druk vanuit Holland en vanuit de Europese grootmachten, Engeland voorop. Ze kreeg een definitieve gestalte in het Protocol van de VIII artikelen, Londen, 21 juni 1814. Art.1 sprak van een “Réunion” (hereniging) van de Nederlanden. Het was Koning Willem I die het als staatshoofd moest waar maken in een ‘amalgame le plus parfait’.
De vereniging of hereniging werd een feit. In de slotakte van het Congres van Wenen (9 juni 1815) werden alle regelingen bekrachtigd voor de internationale erkenning van het (Verenigde) Koninkrijk der Nederlanden. Binnenlands moest een kiescollege van notabelen uit Noord en Zuid zich uitspreken over een aanpassing van de grondwet. Dit gebeurde in augustus 1815, weliswaar niet zonder contestatie van de katholieke bisschoppen, maar mits wat ”Hollandse rekenkunde” werd de nieuwe grondwet van kracht.
Hoe de staats- en natievorming in Willem I’s Koninkrijk is verlopen en na 15 jaar is misgelopen verdient in de herdenkingsjaren 2013-2015 vernieuwde aandacht, van het Europese tot het lokale niveau.
Voor Nederland werkt reeds een comité dat voor Nederland verschillende initiatieven voor het herdenkingsjaar 2013 coördineert.
De Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland pleit daarnaast voor een bredere en - waar mogelijk - comparatieve aanpak. Dit is dus een pleidooi dat zowel gericht is aan de historici-specialisten van de 19e eeuw van alle universiteiten in Vlaanderen en Nederland als aan alle historische en heemkundige kringen in beide landen. In het geheel van historisch onderzoek en historische literatuur is de aandacht voor de jaren 1813-1839 (van de eerste plannen van ‘hereniging’ tot het scheidingsverdrag) sterk afgenomen. Onderzoek, van het academische tot het lokaal-heemkundige niveau, vertrekt steeds van nieuwe vragen in de eigen tijd. Er zijn in onze eigen tijd ongetwijfeld veel nieuwe vragen over nationale identiteit en over onze plaats in de Europese constructie. Die nieuwe vragen verdienen kritisch belicht te worden door nieuw historisch onderzoek. Aan thema’s voor onderzoeksprojecten, voor biografieën, voor masterscripties of voor lokale erfgoedzorg ontbreekt het niet. De gebeurtenissen van 1813 en volgende jaren reiken ons veel inspiratie aan.
Em.prof.dr. Herman Balthazar
Delfts Blauw en de Amsterdamse grachten zijn echt Hollands. Of ook een beetje Vlaams? De auteurs van de ‘Encyclopedie der Nederlanden’ vertellen.
Maandag 17 oktober 2011 - Al 1 reactie
Wat een paar jaar geleden als reeks artikelen in De Volkskrant begon om de Nederlandse identiteit in woorden te vatten, is nu uitgegroeid tot de publicatie van een heuse Encyclopedie der Nederlanden. De auteurs waren verbaasd over de omvang van de invloed die Vlamingen met name tijdens de zeventiende eeuw hebben gehad op de vorming van de Hollandse identiteit. Het is misschien verleidelijk om naar aanleiding hiervan te denken dat het Vlaamse thuisland in diezelfde periode in slaap sukkelde.
Wat kroketten en tegeltjes met elkaar gemeen hebben
Het Vlaamse dagblad De Morgen gaf Wagendorp en De Rek ruim een week geleden vrij baan. Want wat blijkt? Dat wat wij als de oer-Hollandse identiteit beschouwen, blijkt vooral een samenharksel van buitenlandse invloeden te zijn. Pindakaas? Het is een uitvinding uit de Verenigde Staten. De tulp? Die is overgewaaid uit Turkije. De kroket dan misschien? Alleen het fenomeen van ‘het uit de muur halen’ is typisch voor Nederland. “Dat was onze eerste belangrijke desillusie”, schrijven de auteurs hierover in De Morgen. En direct daarna: “De tweede belangrijke ontdekking: wij zijn een door Vlamingen gevormde natie.” Dat begon al met de eerste ideeën voor de vormgeving van de encyclopedie. De vermeldingen van de lemma’s zijn geïllustreerd met tegeltjes die we kennen van ‘tegeltjeswijsheden’. “Vaak in Delfts blauw. Want dat, zo wisten wij toch wel zeker, was iets ongelooflijk Nederlands. Niet dus.” De kunst van het porseleinbakken, zo vertellen de auteurs, werd meegebracht door enkele van de 150.000 Vlamingen die tussen 1585 en 1630 naar het noordelijke deel van de Lage Landen trokken. En het gaat veel verder dan alleen deze vaststelling. Want uit het onderzoek van de auteurs is gebleken dat zelfs de pareltjes der Nederlanden alleen maar tot stand hebben kunnen komen door hulp van de Vlamingen.
“Het is de Vlaming die Nederland heeft gebouwd, gevormd, verfraaid en vervolmaakt. Je kunt in de Encyclopedie der Nederlanden bijna geen pagina openslaan of daar heb je er weer een”. Zo noemen Wagendorp en De Rek onder andere de Vlaamse geograaf, cartograaf, astronoom en gewoonweg rijke Pieter Platevoet, met wiens geld, kaarten en astronomische kennis de Hollandse VOC een weg baande naar De Oost. De rijkdom die Nederland vergaarde tijdens de zeventiende, ofwel Gouden Eeuw, is tot vandaag de dag te bewonderen op, om maar een voorbeeld te noemen, de Amsterdamse grachten. Die grachtengordel werd trouwens voor een groot deel gebouwd door welgestelde Vlamingen die al vluchtend Antwerpen verruilden voor Amsterdam, zo vertellen de auteurs. Deze Antwerpenaren creëerden een eigen plek onder de zon door de Keizers- en Prinsengracht toe te voegen aan de bestaande, tot dan veel kleinere grachtengordel. Het zijn juist deze twee grachten die ook vandaag nog tot de sjiekste behoren.
Ondertussen in Vlaanderen
En zo gaan de auteurs nog even door. Ze laten door middel van een kleine Vlaams-Nederlandse geschiedschrijving zien hoe de Vlamingen voor gezichtsbepalende ontwikkelingen van Nederland hebben gezorgd. Zelfs zo sterk gezichtsbepalend dat ze onderdeel zijn geworden van het ‘oer-Hollandse’ dogma.
Nu is het verleidelijk om naar aanleiding van het artikel in De Morgen te denken dat alle welgestelde en invloedrijke Vlamingen tijdens de Noord-Hollandse Gouden Eeuw in Amsterdam en omstreken verbleven. En dat Vlaanderen als gevolg daarvan in slaap sukkelde, terwijl men zich iets noordelijker wentelde in de niet eerder geziene welvaart. Dit klopt in economische zin: de grootste bloeiperiode van Antwerpen had al plaatsgevonden in de zestiende eeuw. Toen was de stad decennialang één van de belangrijkste handelscentra van Europa; een positie die de stad tegen het begin van de zeventiende eeuw niet meer kon waarmaken. Maar Antwerpen had een andere troef in handen: de schilderkunst van de Antwerpse School die onder andere de 'Grote Drie Vlaamse Meesters' Peter Paul Rubens, Jacob Jordaens en Antoon Van Dyck voortbracht.
Het werk van 'De Grote Drie Vlamingen' behoort tot op de dag van vandaag tot de topstukken van musea over de hele wereld. Met name de terugkeer van Peter Paul Rubens naar Antwerpen in 1608 gaf nieuwe energie aan het artistieke leven aldaar. Hij had net acht succesvolle jaren in Italië en Spanje achter de rug, waar hij verschillende grote opdrachten kreeg van edellieden en het werk van Italiaanse meesters zoals Caravaggio (1571-1610) leerde kennen. De opdrachten aan zijn adres stroomden binnen en om aan deze vraag te kunnen voldoen opende hij in Antwerpen een groot atelier. Hij had medewerkers die ook onder eigen naam zeer beroemd zijn geworden, zoals bijvoorbeeld het wonderkind Antoon Van Dyck. Ook Noord-Hollands schildertalent zakte af naar Antwerpen om te werken in het atelier van Rubens, ondanks de ongekende bloei in de stad van herkomst.
Nu krijgt dit verhaal toch nog een staartje: een unieke selectie werken van de Vlaamse Meesters is op dit moment niet in Antwerpen, maar in Amsterdam te bewonderen.
Door Charlotte Rommes
Mini-interview met dichteres Lieke Marsman, winnares van de Debuutprijs “Het Liegend Konijn” 2011
Woensdag 28 september 2011 - Reageer als eerste
Door Charlotte Rommes
Op 27 september werd op de Nederlandse Ambassade in Brussel aan Lieke Marsman (1990) de Debuutprijs “Het Liegend Konijn” 2011 overhandigd. Marsman ontving de prijs als bekroning van haar dit jaar verschenen debuutbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud. Naast het dichten is Lieke masterstudente Wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam.
De Debuutprijs is een samenwerkingsverband tussen Vlaams-Nederlands Huis deBuren en Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie. Vlaams Minister van Jeugd Pascal Smet overhandigde de prijs. Een overzicht van het gehele programma van de uitreiking vindt u hier. Een fotoserie van de uitreiking vindt u op de website van Het Liegend Konijn. Een videoverslag van de prijsuitreiking, gemaakt door Vlaams-Nederlands Huis deBuren, vindt u onderaan deze pagina.
Het programma rond de overhandiging
Een avond gevuld met poëzie is misschien niet alledaags, maar daarom zeker niet minder belangrijk. Dat is de gedachte die bleef hangen na afloop van de uitreiking van de Debuutprijs “Het Liegend Konijn” aan Lieke Marsman. Want poëzie; is dat nuttig? Of weerbaar? “Nee”, luidde het antwoord van spreker Jozef Deleu, die sinds 2003 in z’n eentje de redactie van tijdschrift Het Liegend Konijn voert. Hij is er juist blij om dat poëzie niets van dat alles is. Het is een tegenhanger voor dingen zoals snelheid en gemak, die ons dagelijks leven voor een groot deel bepalen. Het geeft aanleiding om eens te gaan zitten, de tijd te nemen, te reflecteren en nieuwe invalshoeken te vinden. Dat poëzie niet ‘hapklaar’ is, is daarom juist haar kracht en haar waarde.
Lieke Marsman laat zien hoe je dat doet: onalledaags kijken naar jezelf en de wereld om je heen. “… tastend, speels en beschouwend” noemt de jury het wanneer zij regels schrijft zoals:
Je ogen zijn rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt.
(Uit het gedicht ‘Vasthoudendheid’)
Na afloop van het programma stelde ik Lieke een paar vragen.
Het mini-interview
Liekes debuutbundel bevat veel beschrijvingen van jeugdherinneringen. Ik vraag haar of ze verwacht dat de volgende fase in haar leven net zo inspirerend zal zijn als haar jeugd de afgelopen tijd geweest is?
De herinneringen aan vroeger zullen blijven komen, zo vertelt Lieke. En tegelijkertijd was het afgelopen jaar een drukke, zelfs turbulente tijd. Dat zal haar ongetwijfeld concrete nieuwe ideeën opleveren. Over een tijdje, want alle indrukken moeten eerst bezinken en daarvoor is rust nodig. Dat is best een opgave voor iemand die het moeilijk vindt om ‘nee’ te zeggen, zo legt ze uit.
Liekes gedichten zijn vaak verhalend. Ik vraag haar of ze van plan is om ook proza te schrijven?
Lieke vertelt dat ze op dit moment bezig is om de juiste vorm voor proza te ontwikkelen. Onlangs publiceerde ze voor het eerst een verhaal in het online tijdschrift hard//hoofd, met de titel ‘Mimicri / Mommy cries’. In vergelijking met poëzie vraagt proza om tekst die minder dicht is, waarin meer ‘lucht’ zit. Ze verduidelijkt: in een gedicht heeft ieder woord z’n uitgemeten plek en betekenis, terwijl in proza juist ook ruimte is voor passages waarin eigenlijk weinig gebeurt.
Opvallend genoeg merkt Lieke dat haar poëzie tegelijkertijd juist steeds compacter wordt, ten opzichte van een aantal woordrijke gedichten in de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud.
Ik vraag Lieke hoe ze alle media-aandacht ervaart? Zoals bijvoorbeeld het citeren van kleine stukjes uit een gedicht, dat door haar juist als één geheel gemaakt is.
Recensenten en journalisten moeten voorbeelden kunnen geven uit haar werk door te citeren, daar heeft Lieke begrip voor. Tegelijkertijd is ze een beetje overweldigd door de hoeveelheid media-aandacht van de laatste tijd, vooral omdat er veel aan betekenis op haar werk wordt geprojecteerd. Lieke herinnert zich nog haar eigen ervaring bij het klassikaal ontleden van andermans gedichten. Toen bekroop haar de gedachte: ‘Oh nee! Als ze dit straks maar niet met mijn werk gaan doen!’ Op zulke momenten worden in een gedicht allerlei betekenissen gezocht en gevonden die de schrijver er misschien helemaal niet inlegde, en dat is een gedachte die Lieke wel enigszins bevreemdt.
Merkt Lieke, of hoopt zij dat ze een jong publiek aanspreekt, door haar eigen jonge leeftijd?
Ze merkt geen specifieke belangstelling van jongeren, zo vertelt Lieke. Ze is ook niet op die manier met een bepaalde doelgroep bezig. Uiteindelijk bepaalt de lezer toch zelf of hij/zij een gedicht aansprekend vindt of niet, of diegene nu jong of oud is. Ze vertelt dat ze binnenkort op uitnodiging zal vertellen over haar werk aan de leerlingen van de examenklas op een middelbare school. Het is leuk, maar ook heel spannend, vertelt ze, om straks te zien hoe de jongeren op haar werk zullen reageren.
Tot slot bedank ik Lieke voor het voorlezen uit haar eigen werk, wat eerder op de avond onderdeel was van het programma rond de uitreiking van de prijs. Ik vertel dat ik ervan heb genoten, omdat het me nog meer inzicht heeft gegeven in de manier waarop ze de gedichten geschreven heeft. Lieke vraagt me of ik dat echt meen? Of ik niet het gevoel kreeg dat ze, door voor te lezen, haar interpretatie aan me opdrong? Ik antwoord haar dat het omgekeerde waar is: haar stem gaf mij de aanleiding om eens te blijven zitten, de tijd te nemen, te reflecteren en nieuwe invalshoeken te vinden.
Videoverslag van de uitreiking Debuutprijs "Het Liegend Konijn" 2011 aan Lieke Marsman (gemaakt door Vlaams-Nederlands Huis deBuren)
Uitreiking derde Debuutprijs Het Liegend Konijn aan Lieke Marsman from deBuren on Vimeo.
- ‹ Vorige pagina
- 1
- 2
- 3
- 4
- Volgende pagina ›
