Advies
15 december 2005
BE- 1040 Brussel
1.
Inleiding.................................................................................................. 3
2.
De Nederlands-Vlaamse
omroepsamenwerking in Europees perspectief.............
5
2.1.
De Europese televisierichtlijn.................................................................
5
2.2.
Culturele diversiteit..............................................................................
7
2.3.
Must carry en
grensoverschrijdend kijkgedrag..........................................
8
3.
Vormen van samenwerking op het
gebied van de openbare omroep in Nederland en Vlaanderen 11
3.1.
Bestuurlijke samenwerking..................................................................
11
3.2.
Internationale dimensie.......................................................................
13
3.3.
Correspondenten...............................................................................
13
3.4.
Radio: de wereldomroep.....................................................................
14
3.5.
Satellietzender BVN...........................................................................
16
3.6.
Coproducties....................................................................................
18
3.7.
Cultuur
op televisie............................................................................
25
3.8.
Regionale
televisie.............................................................................
28
4.
Voorstel van passage voor
beheersovereenkomst VRT ................................. 29
Noten ........................................................................................................... 31
Literatuurlijst .................................................................................................. 37
Bijlagen.......................................................................................................... 39
1. Motie Atsma c.s.,
Tweede Kamer der Staten-Generaal (21/11/2005)
2. CVN-advies
Beheersovereenkomst VRT (27/4/2005)
3. CVN-advies
Culturele dimensie van de omroep in Europa (11/10/2000)
4. CVN-advies
Europese Cultuurparagraaf (25/1/2002)
5. CVN-advies
Audiovisuele Coproducties (9/5/2003)
6. CVN-advies
Satelliettelevisie BVN (10/1/1998)
7. Schema
audiovisuele fondsen
8. Lijst
gesubsidieerde coproducties CoBO-fonds
9. Overzicht
coproducties
10. CVN-advies Tien
voor Taal (16/3/2005)
11. CVN-advies Grensoverschrijdende
regionale televisie (9/11/2000)
12. CVN-advies
Cultuur op televisie (14/1/2005)
13. Beknopt overzicht
audiovisueel medialandschap in Nederland en Vlaanderen
Geert Bourgeois, Vlaams minister
van Media, tevens bevoegd voor o.m. Buitenlands beleid, vraagt CVN in een brief
van 10 oktober 2005 een advies voor te bereiden wat betreft de mogelijkheden
voor samenwerking tussen de openbare omroepen in Nederland en Vlaanderen.
Het CVN-advies moet elementen
aandragen voor een hoofdstuk “Vlaanderen-Nederland” in de nieuwe
beheersovereenkomst tussen de Vlaamse overheid en de VRT, die met ingang van 1
januari 2007 in werking treedt.
Dat de vraag of er een nauwere
samenwerking mogelijk is tussen de publieke omroepen, ook aan Nederlandse kant
wordt gesteld, blijkt uit de motie van Atsma, Bakker en Örgü, die de
Nederlandse Tweede Kamer aannam op 13 december 2005. In de motie vraagt de
Tweede Kamer dat de regering op korte termijn de mogelijkheden zou onderzoeken
om te komen tot een hechtere samenwerking tussen de Nederlandse en de Vlaamse
publieke omroepen, zowel op programmatisch als op facilitair gebied (bijlage 1)[1].
De Nederlandse motie kadert in de
discussie die momenteel in Nederland wordt gevoerd over de toekomst van de
Publieke Omroep en de hertekening van het medialandschap. Daarbij worden nieuwe
structuren beoogd en moet een oplossing worden gezocht voor financiële
problemen.
Met betrekking tot de
beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en de VRT had CVN in een brief
van 21 april 2005 gevraagd dat de structurele samenwerking met Nederland daarin
verankerd zou worden: “Nu de nieuwe beheersovereenkomst met de VRT wordt
voorbereid, willen wij u vragen daarin de verplichte samenwerking met de
Nederlandse netten uitdrukkelijk op te nemen. Wij denken daarbij aan
audiovisuele coproducties, aan de satellietzender BVN, aan de themakanalen
(waaronder een cultuurkanaal), en aan de positie van de op derde landen
gerichte radio-uitzendingen (…) Uiteraard
moeten ook de Nederlandse partners hierin meegaan, maar tegelijk vinden wij dat
het opnemen van enkele specifieke passages over de samenwerking met Nederland
in de beheersovereenkomst met de VRT, hier een goede aanzet kan zijn.” (bijlage 2)
Om aan het verzoek van de minister
tegemoet te komen, verzamelde de Commissie gegevens en had ze een reeks
gesprekken met onafhankelijke deskundigen en betrokkenen[2]. Ze
stelde haar advies vast op de vergadering van 15 december 2005.
Een blik op de geschiedenis leert
ons dat er, zoals in tal van andere sectoren, ook op mediagebied door de jaren
heen tal van contacten en samenwerkingsinitiatieven zijn geweest tussen
Nederland en Vlaanderen. Doorgaans ging Vlaanderen vaker bij Nederland
aankloppen dan omgekeerd. Dat is niet onlogisch als men rekening houdt met de
langzame ontvoogding van Vlaanderen en met het demografische en
economisch-financiële schaalverschil tussen Nederland en Vlaanderen.
Dat beide partners dezelfde taal
spreken en een deels gemeenschappelijke geschiedenis hebben, maakt dat
samenwerking voor de hand ligt. Dat ze bovendien samen verantwoordelijk zijn
voor de positie van de Nederlandstalige cultuur in internationale context,
voegt een extra dimensie toe.
Dat een samenwerking tussen
Nederland en Vlaanderen een schaalvoordeel oplevert, biedt perspectieven inzake
kostenbeheersing. Samen zijn de publieke omroepen wellicht ook beter gewapend
in hun strijd tegen de particuliere mediagroepen die vooral de “kleine”
publieke omroepen onder vuur nemen, bv. door hen aan te klagen voor
concurrentievervalsing bij de Europese Commissie.
De Commissie Cultureel Verdrag
Vlaanderen-Nederland kijkt naar de verschillende vormen van samenwerking op het
gebied van de openbare omroep door de jaren heen. Bij die voorbeelden die ook
vandaag relevant blijven, geeft de Commissie aan of en hoe de samenwerking
verbeterd kan worden.
Soms ligt een dossier in de handen
van de politici of de ambtenaren, soms in de handen van de omroepen zelf.
Ook vermeldt de Commissie een
aantal andere Nederlands-Vlaamse samenwerkings-vormen op mediagebied, waar bv.
particuliere omroepen bij betrokken zijn.
De Europese Gemeenschap deed vooral in de jaren ‘80 grote
inspanningen om de audiovisuele sector te reguleren en het vrije verkeer te
garanderen. De richtlijn Televisie zonder Grenzen van 1989 was de
belangrijkste verwezenlijking
Doordat
er meer zenders kwamen (ook buitenlandse, via de hoge bekabelingsgraad in
Vlaanderen en Nederland) en die in de onderlinge concurrentiestrijd hun
zendtijd verhoogden, waren er meer programma’s nodig. Die wou men liefst zo
goedkoop mogelijk aankopen en dan is import de oplossing. Het maken van één
aflevering van Flikken kost 350.000 euro. Het aankopen van één
aflevering van Morse kost 6.000 euro, dus 60 keer minder[3].
Het
geïmporteerde aandeel aan ingevoerde entertainmentprogramma’s bedroeg in 1984
in West-Europa 53%. Dat aandeel nam in de jaren daarop alleen maar toe[4].
In 1990 bedroeg het aandeel fictie
– zowel eigen productie als aangekochte - in de totale zendtijd van de beide
BRTN-netten 1347 uur. In 2002 was dat al 3418 uur. Daarbij moet wel worden
vermeld dat de eigen fictie – in navolging van de VTM – is gegroeid van 162
uren in 1990 tot 652 uren in 2002[5].
In 2004 was 53,28% van de
aangekochte VRT-uitzendingen tussen 18.00 u en 23.00 u van Europese makelij. In
2003 was dat 48,82%[6].
Vlaanderen
had in de eigen regelgeving, mede tot stand gekomen naar aanleiding van de
oprichting van de commerciële omroep VTM, opgenomen dat de omroepen in
Vlaanderen een quotum van “eigen Vlaamse producties” moesten respecteren[7]. Het
Vlaamse “kabeldecreet” van 1987 bepaalde o.m. dat tegen 1994 50% van de
uitzendingen van de commerciële omroep eigen Vlaamse producties moesten zijn.
Ook bepaalde het decreet aanvankelijk dat meer dan de helft van de aandelen van
de commerciële omroep in handen moesten zijn van Vlaamse dag- en
weekbladuitgevers[8].
De Europese Commissie achtte dit in strijd met de Richtlijn. Artikel 8 van de
richtlijn biedt de lidstaten echter wel de mogelijkheid maatregelen te nemen op
grond van taalcriteria[9].
Vlaanderen kwam aan de EU-kritiek dan ook tegemoet door in artikel 102 van het
Vlaamse Omroepdecreet te stipuleren dat een aanzienlijk deel van de
uitzendingen moet bestaan uit “Nederlandstalige Europese producties” (in
de plaats van “Vlaamse”). Ook wat de aandelen betreft, werd “Vlaamse”
vervangen door “Nederlands-talige”. Deze formulering maakte samenwerking met
Nederland meteen voor de hand liggend. Intussen is de passage over de
aandeelhouders weggevallen nadat een einde kwam aan het monopolie van VTM als
commerciële omroep in Vlaanderen. Wat het aantal uitzendingen betreft, werd ook
het quotum geschrapt. Art. 115 van het gecoördineerde omroepdecreet[10] zegt
nog enkel dat “een aanzienlijk deel moet worden besteed aan Nederlandstalige
Europese producties”.
Tot
de opdrachten van de VRT behoort o.m. het “ontwikkelen van de identiteit en
diversiteit van de Vlaamse cultuur”. Dat wordt bevestigd in de
beheersovereenkomst 2002-2006, artikel 1, §3. In artikel 3, §6 staat dat “het
aandeel van de Vlaamse tv-producties en van de coproducties ten minste 50% zal
bedragen van het totale programma-aanbod uitgezonden tussen 18u en 23u.”[11]
In
2002 haalde de VRT (TV1 en Canvas/Ketnet) dit streefdoel, maar dat komt mede
door het heruitzenden van oude programma’s. Ook VTM haalde het streefcijfer[12].
Terwijl
in de algemene decretale bepalingen die gelden voor alle omroepen in
Vlaanderen, sprake is van “Nederlandstalige producties”, gebruikt de Vlaamse
overheid in haar beheersovereenkomst met de VRT dus wel de term “Vlaamse”. Het
quotum spreekt echter over “Vlaamse producties en coproducties”[13]. De
overheid wil dus blijkbaar vooral de Vlaamse beeldindustrie stimuleren. Toch
biedt de formulering ook ruimte voor de samenwerking met Nederland, aangezien
coproducties van VRT met Nederlandse coproducenten binnen het quotum vallen.
Dat geldt echter ook voor coproducties van VRT met andere dan Nederlandse
coproducenten, terwijl in Nederland aangekochte programma’s (waar Vlaanderen
geen coproducent is) buiten het quotum vallen.
De
Nederlandse Mediawet van 1988[14]
bepaalt dat instellingen die zendtijd hebben verkregen, ten minste 50% van hun
zendtijd voor televisie moeten besteden aan oorspronkelijk Nederlands- of
Friestalige programma-onderdelen. Hier bestaat dus een duidelijk parallellisme
tussen de Nederlandse en de Vlaamse regelgeving, wat de samenwerking enkel ten
goede kan komen. Terloops: als Nederland in Vlaanderen programma’s aankoopt,
dan tellen die dus wel mee voor het quotum.
Voor het stimuleren van de
eigen Nederlandstalige productie is het belangrijk dat de quota behouden
blijven in de decretale bepalingen en in de beheersovereenkomst tussen de
Vlaamse regering en de VRT.
CVN is van oordeel dat de
huidige tekst behouden moet blijven.
2.2.
Culturele diversiteit
Dat de audiovisuele sector in
Europa voor discussie zorgt, heeft er onder meer mee te maken dat een
televisieproductie of een film tegelijk een economisch en een cultureel product
is. De culturele dimensie brengt mee dat er een correctie nodig is op de
commerciële logica van de vrije concurrentie waarbij het recht van de sterkste
primeert. Sinds het tot stand komen van de “cultuurparagraaf”[16] in
het Verdrag van Maastricht (1992), later bevestigd in het Verdrag van Amsterdam
(1997), krijgen de lidstaten de mogelijkheid om stimulerende en beschermende
maatregelen te nemen ten gunste van de eigen cultuur. Toen deze “exception
culturelle” ter sprake kwam in de Europese discussies m.b.t. de
televisieregelgeving, met name over de culturele opdracht van de publieke
omroep, bleken Nederland en Vlaanderen niet op dezelfde golflengte te zitten. Vlaanderen
hield vast aan de culturele uitzondering – zoals o.m. Frankrijk -, Nederland
kiest voor de commerciële invalshoek[17].
De lidstaten behouden, via het Protocol
van Amsterdam (1997), de mogelijkheid om hun publieke omroepen te
financieren. Die omroepen hebben immers een culturele, maatschappelijke,
informerende taak. Bijgevolg mogen ze niet behandeld worden als “gewone”
goederen en diensten. De taken voor de publieke omroepen moeten wel scherp
worden gedefinieerd.
CVN
bracht op 11 oktober 2000 een advies uit over de Culturele dimensie van de
omroep in Europa (bijlage 3).
Op 25 januari 2002 formuleerde CVN
een advies over de Europese cultuurparagraaf, waarbij ook aandacht werd besteed
aan de omroep (bijlage 4).
Ook voor het dossier van de
“culturele uitzondering” gelden de strategische doelstellingen 1 en 4 die in de
Strategienota Nederland van de Vlaamse Regering worden verwoord (zie
hoger).
Op
20 oktober 2005 keurde de Algemene Conferentie van de UNESCO de Conventie
over de bescherming en promotie van de diversiteit van culturele expressies
goed, kortweg de “Conventie Culturele Diversiteit” genoemd.
De
conventie laat landen toe om een eigen cultuurbeleid te voeren ter bescherming
van de diversiteit en om de voorwaarden te scheppen waarin de eigen cultuurmarkt
zich kan ontwikkelen[18].
Aanbeveling
Een kleinere taal- en cultuurgemeenschap als die van Nederland en
Vlaanderen, heeft behoefte aan stimulerende en beschermende maatregelen.
Nederland en Vlaanderen moeten die “culturele uitzondering” en de culturele
diversiteit op het Europese forum blijven bepleiten en hiervoor steun zoeken
bij bondgenoten. Aangezien Nederland en Vlaanderen hier elk op een ander
standpunt staan, is intensief politiek en ambtelijk overleg nodig.
Het
Vlaamse omroepdecreet[19]
bevat de zogenaamde “must carry”-regel of doorgifte-plicht. Die legt de
kabelmaatschappijen in Vlaanderen de verplichting op de programma’s van een
aantal omroepen gelijktijdig en onverkort door te geven. In Vlaanderen gaat het
om de radio- en tv-uitzendingen van Vlaamse, Franstalige en Duitstalige
omroepen in België, maar ook “2 radio-omroepprogramma’s en de
televisie-omroepprogramma’s van de Nederlandse openbare omroep”.
In
de Nederlandse Mediawet is een doorgifteplicht opgenomen voor de
Nederlandstalige omroepprogramma’s van de VRT.
In de wet[20]
staat ingeschreven dat “de aanbieder van een omroepnetwerk onverkort,
ongewijzigd en gelijktijdig” naast een aantal eigen Nederlandse programma’s,
ook moet uitzenden: “twee televisieprogramma’s en twee radioprogramma’s van de
Nederlands-talige landelijke Belgische omroepdienst”[21].
De Europese Commissie was geen
voorstander van een uitgebreide “must carry”-regeling maar heeft het verplicht
doorgeven van de publieke omroepen nooit betwist[22]. Wat
Vlaanderen betreft, wou de Commissie dat er enkel een verplichte doorgifte zou
zijn van de Vlaamse openbare en regionale omroepen, niet langer van de
particuliere landelijke omroepen en van de Nederlandse openbare omroep.
Wat Vlaanderen betreft, vraagt het
decreet intussen inderdaad enkel dat de openbare omroep zou worden doorgegeven,
maar de passage over Nederland werd behouden.
In hun argumentatie verwijzen de
Nederlandse en Vlaamse overheden o.m. naar het Taalunieverdrag en het Cultureel
Verdrag.
Vlaanderen vraagt van de
verschillende netwerken – ook de digitale - die een “significant” aandeel van
de markt hebben, een must carry voor de VRT. Niet voor de Nederlandse zenders.
Voor de aanbieders van satellietpakketten acht men een must carry niet
houdbaar. De Nederlandse zenders zijn al langer via satelliet beschikbaar en
wat de VRT betreft, gaat men ervan uit dat sommige aanbieders VRT in hun pakket
zullen opnemen omdat ze weten dat daar een markt voor is[23].
CVN bracht op 11 oktober 2000 een advies uit over de “culturele dimensie
van de omroep in Europa”, waarin o.m. aandacht werd besteed aan de
doorgifteplicht. (bijlage 3).
De Strategienota Nederland,
die de Vlaamse Regering in oktober 2005 goedkeurde, noemt o.m. de volgende
strategische doelstellingen: “1. Wederzijds versterken van de dynamiek en
slagkracht van Vlaanderen en Nederland als één kerngebied in Europa door het
intensiveren van de bilaterale samenwerking op die terreinen waar
complementaire relaties en/of gezamenlijke belangen bestaan (…) 4. Waar
mogelijk en wenselijk streven naar samenwerking bij de uitvoering en
implementatie van Europese en multilaterale regelgeving, naar het innemen van
gemeenschappelijke standpunten en naar het gezamenlijk wegen op de
besluitvorming in de Europese Unie en in multilaterale fora”.
De Europese Commissie heeft vragen
bij een must carry-regeling in de toekomst op alle netwerken. Mediaminister
Geert Bourgeois stelt: “De nog resterende must carry verplichtingen zullen door
de Vlaamse Gemeenschap regelmatig worden geëvalueerd, waarbij zal worden
nagegaan of de huidige regeling nog voldoende noodzakelijk en evenredig is[24].
CVN vindt het wel vanzelfsprekend
dat een must carry er ook komt voor de (digitale) culturele zender op het
ogenblik dat die wordt opgericht.
De doorgifteplicht is uiteraard
van belang voor het grensoverschrijdend kijkgedrag.
De Vlamingen keken in de jaren ‘70
massaal naar Nederlandse shows en spelprogramma’s. In 1969 was dat al 10%, maar
dat zou snel aangroeien tot 20% in 1972 en zelfs 25% in 1976. Het grote
marktaandeel van Nederland bleef intact tot het einde van de jaren ’80[25].
Sinds de komst van de commerciële
televisie zijn zowel de Vlaamse als de Nederlandse kijkers meer op het eigen
land gericht dan vroeger.
Toch zorgt de gemeenschappelijke
taal ervoor dat de Vlamingen gemiddeld meer naar Nederland kijken dan naar
zenders uit andere taalgebieden. De laatste jaren blijft het marktaandeel van
Nederlandse zenders in Vlaanderen rond de 5% schommelen. In 2004 was dat 4,2%:
1,5% voor Nederland 1, 1,8% voor Nederland 2, en 0,9% voor Nederland 3[26].
De
Nederlanders besteden ook meer kijktijd aan de VRT dan aan andere buitenlandse
zenders, maar er is een terugloop. Volgens cijfers van de Openbare Omroep keken
in 2003 tussen 18 en 24 uur gemiddeld 68.000 Nederlanders naar VRT1 (Eén), goed
voor een kijktijdaandeel (“share”) van 1,3%. Eveneens in 2003 keken gemiddeld
64.000 Nederlanders naar Canvas/Ketnet, goed voor een aandeel van 1,3%. In 2004
keken gemiddeld 60.000 Nederlanders naar VRT1 – een aandeel van 1,1% - en
50.000 naar Canvas/Ketnet – een aandeel van 1% -. In 2005 (cijfers tot 23
november) kijken gemiddeld 52.000 Nederlanders naar Eén – een aandeel van 1% -
en 50.000 naar Canvas/Ketnet – een aandeel van 0,9%[27]. Het
gaat hier om kijkdichtheid (d.w.z. het gemiddeld aantal kijkers per minuut) en
kijktijdaandelen (d.w.z. gemiddeld aantal kijkers ten opzichte van het totale
aantal kijkers).
In een tekst van 15/1/2004 geeft
Wouter Quartier van de VRT-studiedienst andere cijfers: “In 2003 keek gemiddeld
23,1% van de Nederlanders gemiddeld één keer per maand naar Canvas. Gemiddeld
keken in 2003 dan ook 262.000 Nederlanders gedurende minstens 15 minuten per
dag naar Canvas.” Het gaat hier om bereikcijfers.
Vooral detectivereeksen trekken de
aandacht van de Nederlandse kijker. Omgekeerd kijken ook veel Vlamingen naar
dergelijke reeksen op Nederland[28].
Uit onderzoek van de Publieke
Omroep – geciteerd door de VRT-studiedienst - blijkt dat 39% van de Nederlandse
kinderen spontaan “Ketnet” noemt als men hen vraagt een kinderzender te noemen.
38% noemt het Nederlandse Zappelin – destijds ontstaan naar het
voorbeeld van Ketnet – 77% Fox kids (Jetix) en 56% Nickelodeon (MTV/TMF).
Gemiddeld 35% van de Nederlandse
kinderen keek in 2003 minstens één keer per week naar Ketnet. Zoals in
Vlaanderen zijn de jongste kinderen de grootste fans.
Toch blijft Ketnet in 2002-2003
bij kinderen tussen 3 en 12 jaar (en tussen 7 u en 19 u.) hangen op een
marktaandeel van 6,2% (tegenover 26,3% voor Fox kids en 22,4% voor Zappelin)[29].
Aanbeveling
Om Nederlanders en Vlamingen alvast blijvend de mogelijkheid te bieden
om naar elkaars openbare omroepen te kijken, moet de must carry-regeling in de
huidige vorm behouden blijven. Nederland en Vlaanderen moeten zich hier op
Europees niveau samen voor blijven inspannen. In hun argumentatie kunnen ze
verwijzen naar het Taalunieverdrag en het Cultureel Verdrag. Op het ogenblik
dat er een cultuurzender komt, moet de must carry ook daarvoor gelden.
Sinds het opstarten van de
openbare omroep in Nederland en Vlaanderen, onderhouden beide contacten met
elkaar.
In de beginjaren van de radio
keken de Vlaamse radioverenigingen naar de Nederlandse voorbeelden. Zo was bij
de start van de katholieke omroepvereniging in Vlaanderen (1927) de voorzitter
van de Nederlandse KRO aanwezig. De socialistische SAROV zond zijn eerste
programma uit via VARA (1928). Door de jaren heen werden programma’s
overgenomen en werd samengewerkt[30].
Bij de introductie van de
televisie, in 1951 in Nederland (oprichting van de Nederlandse Televisie
Stichting, NTS) en in 1953 in Vlaanderen/België (oprichting van het Nationaal
Instituut voor Radio-omroep, NIR), keek Vlaanderen opnieuw naar Nederland en in
de jaren die volgden, werd op diverse manieren samengewerkt. NIR nam veel
programma’s over van NTS, omgekeerd gebeurde dat minder[31].
In de jaren ’60-’70 werd de
samenwerking structureler. Er zijn contacten op het niveau van de besturen
(eerste bijeenkomst op 7 november 1960), van de permanent vertegenwoordiger van
de BRT in Hilversum (van 1963 tot 1982), van diverse gemengde commissies en
werkgroepen (bv. de Gemengde Kabelcommissie NOS-BRT en de Gemengde Commissie
Instructieve Omroep, beide opgericht in 1972); en van een NOS-BRT adviescollege
(sinds 1976)[32].
In 1974 stelde de BRT voor om de
samenwerking met Nederland te institutionaliseren door een overkoepelend orgaan
voor de Vlaamse en de Nederlandse publieke omroepen op te richten. Dit naar het voorbeeld van “La Communauté radiophonique
de langue française” aan francofone zijde[33]. Medewerkers van BRT en NOS werkten samen een voorstel
uit, maar uiteindelijk werd enkel besloten tot een intensivering van de
programmatische samenwerking via gemengde werkgroepen. Op tv-gebied kwamen er
werkgroepen voor drama, jeugdzaken, actualiteiten, documentaires, kunstzaken,
amusement, filmzaken. Op radiogebied voor ernstige muziek, gesproken woord,
gevarieerde programma’s, amusement en reportage. Ook werd een Adviescollege
voor gemeenschappelijke beleidsvraagstukken ingesteld (eerste vergadering in
januari 1976). Het was dit adviescollege dat in 1982 voorstelde om het tweede
net van de BRT uit te bouwen i.s.m. NOS en daar o.a. een ruim aanbod aan
cultuur en sport te brengen. Het idee ontstond in Venetië, vandaar dat het
project de naam “Canal Grande” meekreeg. Uiteindelijk gaat het
project niet door.
Projectmatig
zijn er in de loop der jaren wel intense samenwerkingsbanden gesmeed, zoals FORTO.
Ter gelegenheid van het Europees kampioenschap voetbal dat in 2000 in België en
Nederland werd gehouden, richtten de Belgische en Nederlandse publieke omroepen
een tijdelijk samenwerkingsverband op onder de naam FORTO 2000. Er werd gekozen
voor de juridische formule van een Europees Economisch Samenwerkingsverband
(EESV), waarin de NOS voor 50% participeerde en de VRT en RTBF elk voor 25%.
De organisatie produceerde
exclusief de verslagen van de 31 wedstrijden en verleende facilitaire diensten
aan tientallen buitenlandse omroepen[34].
Aanbeveling
Als zich in de nabije
toekomst nog met FORTO vergelijkbare projecten aandienen, dan adviseert CVN dat
de Nederlandse en de Vlaamse omroepen opnieuw een ad-hocsamenwerkingsverband tot
stand brengen.
Wat de samenwerking ook vandaag
nog bemoeilijkt, zijn de verschillen in organisatie van de omroepwereld in
Nederland en Vlaanderen. Met name het systeem van omroepverenigingen (TROS,
VARA, AVRO, KRO…)[35]
kent Vlaanderen niet en daardoor zijn de Publieke Omroep en de VRT niet steeds
elkaars exacte evenknie[36].
Jaarlijks had een gezamenlijke
vergadering van de raden van bestuur van BRTN – later VRT - en NOS - later
Publieke Omroep - plaats. Niet alleen werd er aandacht besteed aan de
praktische problemen van het ogenblik en was er informeel contact, er werd ook
telkens een specifiek thema onder de aandacht gebracht. In 1995 (Arnhem) was
dat de concurrentie van de commerciële zenders; in 1996 (Knokke) het
televisielandschap in de VS en Duitsland (met aandacht voor nieuwe
technologie); in 1997 (Den Haag) de invloed van de nationale en Europese
overheid op de omroep; in 1998 (Gent) netprofilering; in 1999 (Amsterdam) sport
en internet; in 2000 de beheersovereenkomst voor de VRT en de meerjarenbegroting
voor de omroep in Nederland[37].
Naast de jaarlijkse vergaderingen
van de raden van bestuur, waren er twee keer per jaar ook gezamenlijke
vergaderingen van de directies in de zogenaamde Overlegcommissie.
Vandaag bestaan de structurele
contacten nog enkel op managementsniveau: de top van de VRT heeft twee maal per
jaar overleg met de top van de Publieke Omroep. De bijeenkomsten hebben
afwisselend plaats in Nederland en Vlaanderen. Op dit overleg komt een
verscheidenheid aan gemeenschappelijke dossiers aan bod. Eén keer per jaar
wordt de groep uitgebreid met nethoofden van radio en televisie (niet van de
zendgemachtigden), de studiedienst, de dienst marketing enz., afhankelijk van
de onderwerpen die op de agenda staan. De raden van bestuur komen niet meer
samen[38].
In haar Strategienota Nederland
hecht de Vlaamse regering een groot belang aan politieke en ambtelijke
contacten. Aanbeveling 5 stelt: “Alle leden van de Vlaamse Regering
onderschrijven het belang van bilaterale contacten met Nederlandse ambts-genoten
en geven hier in de periode 2005-2009 invulling aan”. Aanbeveling 6 luidt: “De
Vlaamse Regering verwelkomt diepgaander ambtelijk overleg met Nederland”.
Uiteraard geldt dit ook voor de
media en hoewel de VRT-managers strikt genomen geen “ambtenaren” zijn, mag van
hen eenzelfde inspanning verwacht worden. De Vlaamse mediaminister gaf alvast
het voorbeeld door op 15 december 2004 zijn Nederlandse collega te ontmoeten.
Terloops: ook eerder legde Vlaanderen op beleidsvlak het oor te luisteren in
Nederland, bv. in januari 2003, toen het Nederlandse Commissariaat voor de
Media een toelichting gaf op een hoorzitting in het Vlaams Parlement. En ook
omgekeerd kijkt Nederland of het kan leren van Vlaanderen, bv. wat de indeling
van de zenders betreft volgens het soort programma’s. Zo zou er een breed
kanaal kunnen komen naast een kanaal dat vooral cultuur en sport brengt, en een
kanaal dat zich op jongeren richt. Dit naar analogie van Eén en Canvas/Ketnet[39].
In haar advies Audiovisuele
Coproducties van 9 mei 2003 zegt CVN: “De
opvatting dat Nederlandse en Vlaamse programmamakers elkaar geregeld zouden
moeten ontmoeten, wordt door de Commissie gedeeld. Hier wil de Commissie een
aanzet geven, maar ze is niet geëquipeerd om zelf op permanente basis een
overleg te ondersteunen. De Commissie beveelt aan dat de omroepen dit naar
eigen inzicht zelf organiseren en hiertoe een structuur uitbouwen. Gedacht
wordt aan het voorbeeld van de ooit werkzame werkgroepen (drama, documentaire,
jeugd…) waarin Nederlandse en Vlaamse producers en programmakers elkaar
ontmoetten.” (bijlage 5)
Aanbeveling
Het is van groot belang dat
het management van de VRT geregeld en gestructureerd overlegvergaderingen heeft
met de collega’s van de Nederlandse Publieke Omroep.
Er is bovendien behoefte
aan een platform waarop programmamakers elkaar regelmatig en gestructureerd
ontmoeten.
De VRT (Vlaanderen) en de Publieke
Omroep (Nederland) zijn beide lid van de European Broadcasting Union
(EBU), de beroepsvereniging van nationale omroepen. Het is een ongeschreven
traditie dat VRT/RTBF (beide Belgische omroepen zijn gezamenlijk lid van EBU)
en Publieke Omroep bij toerbeurt zitting hebben in de “Administrative Council”
van EBU. De traditie bestaat nog wel, maar het is de vraag of het systeem in de
toekomst behouden kan blijven nu er zoveel nieuwe leden, met name uit
Oost-Europa, zijn toegetreden[40].
In de General Assembly, de
algemene vergadering, zijn VRT en PO beide aanwezig.
Al jaren doen VRT en Publieke
Omroep een beroep op gezamenlijke correspondenten in het buitenland (Vlaanderen
doet vaker een beroep op Nederlandse correspondenten dan andersom). Deze vorm
van samenwerking is kostenbesparend en heeft ook het culturele voordeel dat
Vlamingen op geregelde basis een “Nederlandse stem” horen en omgekeerd.
Wat de televisie betreft, werkt
VRT-medewerker Johan Depoortere in Washington en de materiële kosten worden
door VRT en PO samen gedragen.
PO-medewerkster Ankie Rechess
werkt in Tel Aviv. VRT doet geregeld een beroep op haar – ook voor reportages –
en betaalt daar een bijdrage voor.
Zowel VRT als PO doen een beroep
op Hedwig Zeedijk, die als freelancer in Rome werkt.
Ook Peter d’ Hamecourt verblijft
als zelfstandig medewerker in Moskou en werkt zowel voor PO als voor VRT.
Op radiogebied doet VRT een beroep
op Nederlandse journalisten in Moskou (Peter d’ Hamecourt, Geert Groot Koerkamp
en Felicia Kuyten[41]),
in Londen (Tim Overdiek) en in New York (Reinhout van Wagtendonk[42]).
Aanbeveling
Dat Nederland en Vlaanderen
een beroep doen op gezamenlijke correspondenten, moet worden aangemoedigd. Het
is onder meer nuttig vanuit het oogpunt van een efficiënte en kostenbesparende
bedrijfsvoering. Het verdient aanbeveling om op
termijn – op een aantal uit het specifieke redactioneel beleid voortvloeiende
uitzonderingen na – te komen tot een gezamenlijk correspondentennetwerk.
Op radiogebied werden en worden
wel eens programma’s en opnamestudio’s uitgewisseld of coproducties gemaakt. In
de voorbije decennia wou men af en toe echter verder gaan. Zo pleit een rapport
van 1979 voor het lanceren van een gezamenlijke radiozender, mede gericht op
derde landen: Radio Delta. Het initiatief ging terug op
verzuchtingen die al meteen na de ondertekening van het Belgisch-Nederlands
Cultureel Akkoord in 1946 gehoord werden en in 1962 door de Gemengde Commissie
van het Akkoord nog eens krachtig werden geformuleerd[43].
Op de internationale
golflengtenconferentie van 1974-1975 in Genève kreeg Nederland de lange golf
173kHz toegewezen op voorwaarde dat de frequentie gezamenlijk gebruikt zou
worden met Nederlandstalig België. In 1977 werd een werkgroep ad hoc
geïnstalleerd om een voorstel uit te werken. Op 10 juli 1979 bood de werkgroep
haar rapport aan. In 1981 werd een vervolgwerkgroep ingesteld, die in 1982 met
een tekst kwam. Uiteindelijk werden de nodige middelen – hoe bescheiden ook -
niet ter beschikking gesteld en stierf Radio Delta een stille dood.
Vandaag is het oprichten van een
gezamenlijke Nederlands-Vlaamse radio-omroep niet aan de orde. Het
radiolandschap wordt veeleer gekenmerkt door een vermenigvuldiging van het
aantal zenders dan door een concentratie. Voor bepaalde specifieke thema’s en
doelgroepen verdient het wel aanbeveling te streven naar een nauwe samenwerking
en zelfs naar gemeenschappelijke initiatieven.
RVi en RNW zijn anders georganiseerd. RNW heeft veel meer
middelen en personeel.
RVi gebruikt korte- en
middengolfzenders vooral voor Vlaamse toeristen en overwinteraars in Europa. De
zenders worden ingehuurd in het buitenland. Er worden programma’s uitgezonden
die in Vlaanderen via de VRT-zenders Radio 1, Radio 2, Sporza en Radio Donna
worden uitgezonden. De uitzendingen via de ether zijn (in wintertijd) dagelijks
te beluisteren van 08.00 tot 10.00 uur en van 19.00 tot 21.00 uur. RVI maakt
voor de Vlamingen in het buitenland zelf een aantal keer per dag het programma Vlaanderen
Vandaag. Op de satelliet is RVi bijna wereldwijd de gehele dag te
beluisteren via twee kanalen. Het gaat hierbij opnieuw om programma’s die in
Vlaanderen ook worden uitgezonden. RVi is ook te beluisteren via het internet.
RVi zendt nog enkel in het Nederlands uit en is een
onderdeel van de VRT.
RNW zendt voor toeristen en
overwinteraars uit via een Nederlands kortegolfstation in de Flevopolders
(Nozema) en eigen zendstations in Bonaire (Nederlandse Antillen) en Madagaskar.
Voor een betere beluistering worden ook zenderparken in het buitenland
ingehuurd. De programma’s worden grotendeels in “eigen huis” gemaakt, specifiek
voor het buitenland. In vergelijking met Rvi neemt RNW minder programma’s over
van de “binnenlandse” zenders.
De korte golf wordt ook gebruikt voor Nederlandstalige
nieuws- en achtergrond-programma’s voor de wereld. Per dag worden 11 nieuwe
programma’s van een uur geproduceerd, die telkens naar een andere zendrichting
worden uitgezonden. Inhoudelijk wordt ook rekening gehouden met de
ontvangstgebieden. Het betreft hier andere programma’s dan de Nederlandstalige
programma’s voor toeristen en overwinteraars in Europa.
RNW zendt ook uit in het Engels (8 uur per dag), Spaans (6
uur per dag), Indonesisch (4 uur per dag), Portugees (2 uur per dag), Frans
(maandelijkse specials op cd), Papiamento (2 uur per dag voor de Nederlandse
Antillen en Aruba) en Sranang (2 uur per dag voor Suriname). Alle programma’s
worden uitgezonden per korte golf en via de satelliet. De uitzendingen in de
vreemde talen worden in eigen huis geproduceerd.
RNW wordt gefinancierd uit het departement van OC&W,
en is een zelfstandige stichting.
Destijds werkten RNW en RVi goed
samen. Ze wisselden incidenteel bijdragen uit en stelden aan elkaar
opnamefaciliteiten ter beschikking. RVi gebruikte dagelijks 3 uur zendtijd op
de kortegolfzenders van RNW op Madagaskar en Bonaire. In ruil gebruikte RNW
dagelijks 3 uur zendtijd op de middengolfzender van RVi in Vlaanderen[44].
Vandaag is die samenwerking stopgezet[45].
Wel lift het radiosignaal van
RVi-2 sinds 3 april 2005 mee met het televisiesignaal van de satellietzender
BVN (zie verder). Op die manier is RVi-2 via BVN wereldwijd te beluisteren[46].
Telkens als de wereldomroep in
Nederland of Vlaanderen onder besparingsdruk kwam in het verleden, werd de
vraag luidop gesteld of Nederlands-Vlaamse samenwerking niet (een deel van) de
oplossing kon zijn. Ook vandaag stellen we met name aan Vlaamse zijde vast dat
Radio Vlaanderen Internationaal is afgeslankt. Zo werden de anderstalige uitzendingen
geschrapt en wordt anderstalige informatie nog enkel via internet aan-geboden.
In de praktijk worden de luisteraars die vroeger goed bereikt konden worden,
beter bediend, en wie vroeger al slecht bereikt kon worden, valt helemaal uit
de boot.
In haar advies van 27 april 2005
stelt CVN dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de positie van de op derde landen gerichte
radio-uitzendingen: “Wat dat laatste betreft, baart het ons zorgen dat Radio
Vlaanderen Internationaal op een laag pitje is gezet. Een structurele
samenwerking met Radio Nederland Wereldomroep kan wellicht voor een versterking
zorgen”. (bijlage 2)
Tussen RNW en RVi/VRT lijken tal van
samenwerkingsmogelijkheden zich aan te dienen:
-
Op technisch vlak kan worden
samengewerkt via de zenderparken van RNW, kan gezamenlijk externe
zendcapaciteit worden ingekocht en kunnen gezamenlijke satelliettransponders
worden gehuurd en geëxploiteerd.
-
Buitenlandse correspondenten
moeten kunnen werken voor RVi, VRT, NOS en RNW. Het opzetten van een groot
netwerk zou efficiënt werken en kwalitatief tot verbetering moeten leiden.
-
In de zomermaanden zouden RNW en
RVi/VRT een gezamenlijk programma kunnen maken voor de Vlaamse en Nederlandse
vakantiegangers.
-
In de werelduitzendingen kunnen
sommige zenduren van RNW worden gedeeld met RVi. Programma’s kunnen uit Brussel
op lijn naar het zendcentrum in Hilversum gaan.
-
RVi/VRT en RNW zouden
gezamenlijk congressen moeten coveren. Per congres kan bepaald worden wie
namens beide organisaties deelneemt.
-
Binnen BVN moeten de
radioprogramma’s van RVi en RNW gepromoot worden. In de zomermaanden kan deze
actie versterkt worden.
-
Voor onderzoek zou een groot
gezamenlijk e-mailbestand van luisteraars moeten worden samengesteld.
-
RNW/RNTV heeft een eigen
verkoopafdeling voor tv-programma’s. Het gaat hierbij vooral om documentaires.
De afdeling bezoekt alle grote beurzen. Organisaties en zelfstandige cineasten
die via RNTV verkopen betalen slechts een klein honorarium. Deze afdeling zou
ook voor VRT kunnen werken, en voor kleine film- en tv-producenten uit
Vlaanderen.
-
De mogelijkheid kan onderzocht
worden of de klassieke muziekproductie van RNW uitgebreid kan worden met of
deels vervangen kan worden door opnamen van Vlaamse/Belgische orkesten en
ensembles.
-
De klassieke muziekproductie van
RNW zou ook om niet beschikbaar moeten komen voor Radio Klara.
-
Op het gebied van de productie
van radiodocumentaires en specials (wetenschap, cultuur, etc) zou samengewerkt
kunnen worden tussen RNW en RVi. Daarnaast zouden deze producties desgewenst
ook beschikbaar kunnen komen voor de nationale zenders van VRT.
-
Medewerkers van RNW en RVi/VRT
moeten voor een aantal weken (maanden) over de grenzen heen kunnen werken bij
de collega-stations[47].
Aanbeveling
Een structurele
samenwerking van Radio Vlaanderen Internationaal en Radio Nederland
Wereldomroep is kostenbesparend en kan niettemin garanderen dat
Nederlandstaligen in het buitenland en buitenlanders die niet in Vlaanderen of
Nederland wonen, bereikt worden met informatie uit en over Nederland en/of
Vlaanderen.
3.5. Satellietzender BVN
De Nederlandse Wereldomroep (RNW)
startte in juli 1996 met Zomer tv. De VRT leverde hiervoor vanaf 1997 Het
Laatavondjournaal, Tik Tak en documentaires aan. Het initiatief werd
in het najaar van 1997 voortgezet onder de naam Wereldomroep-tv en kreeg
in 1998 de naam Het Beste van Nederland (BVN). Er waren dagelijks
uitzendingen tussen 19 u en 24 u., gericht op Nederlandstaligen in Europa. BVN
was te zien tot in Litouwen, Wit-Rusland, Finland, Noorwegen, Syrië, Israël,
Egypte, Marokko en Tunesië[48]. De
huidige beheersovereenkomst tussen de Vlaamse regering en BVN loopt tot 31
december 2005. Vandaag biedt BVN een programmageheel aan van 8 uur, dat 3 keer
per dag wordt herhaald.
Per 1 januari 1998 werd BVN een gezamenlijke
onderneming van RNW en NOS, en per 1 september 1999 trad ook VRT toe tot het
samenwerkingsverband. Dat betekent dat VRT ook zitting nam in de raad van
bestuur van BVN. Met de extra middelen van de Vlaamse Gemeenschap werd het
zendbereik uitgebreid tot Noord-Amerika, Canada en de Cariben - later ook tot
zuidelijk Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland - en startten de uitzendingen een
uur vroeger. “BVN” stond voortaan voor “Het Beste van Vlaanderen en Nederland”
en is quasi wereldwijd te ontvangen, met uitzondering van een deel van Afrika
(de westkust)[49].
Momenteel telt Vlaanderen 2
afgevaardigden (op 6) in de raad van bestuur en worden de Vlaamse en
Nederlandse programma’s in afzonderlijke blokken aangeboden omdat Vlaanderen
herkenbaarder wou zijn[50]. Het
Vlaamse aandeel in de uitzendingen moet gemiddeld 1 uur per dag bedragen[51]. In
2003 was 22,6% van de uitzendingen op BVN afkomstig van VRT. In 2004 was dat
23,04. In 1999, toen de eerste beheers-overeenkomst werd gesloten, bedroeg het
Vlaamse aandeel in de programmering slechts 13%[52].
In 2004 daalde het aandeel van
nieuws, actualiteit en informatie van 49,6% naar 44% en dat van
jeugdprogramma’s van 15,6% naar 14,8%. Het aandeel van documentaires, cultuur
en film steeg van 6 naar 6,9%. De grootste stijgers zijn amusement en soap: van
15,6% naar 19,11%. Er kwam ook meer sport: 7,52% i.p.v. 5,5%[53].
Het uitzicht van BVN werd minder
Nederlands. Zo werden de kleuren en het logo aangepast.
Voor 2004 kwam er een bijdrage van
1,765 miljoen euro (40,5%) van de Publieke Omroep (NOS), 1,352 miljoen euro van
de Nederlandse Wereldomroep (31%), en 1,239 miljoen euro (28,4%) van de Vlaamse
Gemeenschap[54].
De Vlaamse bijdrage bedraagt nog
steeds om en bij de 1,25 miljoen euro, maar doordat Nederland zijn bijdrage
vermindert, stijgt de Vlaamse inbreng van 20% naar 35%[55].
In vergelijking met andere
bedragen die in de mediasector worden besteed aan productie en distributie,
blijft BVN met een totaal budget van 4,4 miljoen euro
een goedkoop project[56].
Over BVN formuleerde CVN een
advies in het najaar van 1998 (bijlage 6)
Zelf noemt BVN als doelgroepen:
“voor de zakelijke markt zijn dat buitenlandse hotels, appartementen, campings
en kabelnetwerken. In termen van consumenten zijn dat reizigers, studerenden,
werkenden, overwinteraars, vakantiegangers, emigranten, expatriots”[57].
CVN had wel gehoopt dat BVN ook
een grotere rol zou spelen ten aanzien van de doelgroep buitenlanders en
niet-Nederlandstaligen die in contact wensen te komen met de Nederlandse taal
en/of cultuur. Gedacht wordt dan aan de docenten en studenten Nederlands in het
buitenland. Dat de BVN-programma’s door de educatieve kanalen van SCOLA worden
uitgezonden in de Verenigde Staten en Canada, biedt een kleine troost[58].
CVN beseft dat het moeilijk is om
betrouwbare cijfers te presenteren over het bereik of de penetratiegraad van
BVN, maar betreurt dat BVN niet meer inspanningen doet om die gegevens
zichtbaar te maken. In het evaluatiedossier zegt BVN hierover zelf: “Het feit
dat BVN in de gehele wereld (met uitzondering van zuidelijk Afrika) direct-to-
CVN verwacht dat nieuwe
technologieën als internet en digitale television-on-demand - althans voor
bepaalde doelgroepen - op relatief korte termijn complementair zullen gaan
werken aan de huidige BVN-formule. Voor bepaalde regio’s en doelgroepen zal de
satelliet op korte termijn echter de beste drager blijven.
De Strategienota Nederland,
die de Vlaamse Regering in oktober 2005 opstelde, stelt dat de satellietzender
BVN geëvalueerd zal worden en dat beslist wordt over verdere Vlaamse
participatie (punt 3.2, strategische doelstelling 1, tabel 2: operationale
doelstellingen).
Aanbeveling
CVN blijft erbij dat BVN
als gezamenlijk initiatief van Nederland en Vlaanderen een onvervangbaar medium
is om Vlamingen en Nederlanders in het buitenland wereldwijd te bereiken met
informatie, drama, amusement en cultuur uit de Lage Landen.
CVN gaat ervan uit dat de
verantwoordelijken van BVN en de beleids-verantwoordelijken de evolutie van
nieuwe technologieën op de voet volgen en die waar nodig complementair aan de
huidige BVN-formule in gebruik zullen nemen.
Vlaanderen en Nederland maken al
decennia lang samen tv-programma’s. Wel zien we dat de “echte coproducties”,
waarbij Nederlanders en Vlamingen samen een concept uitwerken, samen produceren
en samen uitzenden, de duimen hebben moeten leggen voor “cofinanciering”,
waarbij Nederland of Vlaanderen een programma op het getouw zet en vervolgens
financiële medewerking gaat zoeken in het buurland. Om een en ander wat in te
kleden, wordt dan doorgaans ook wel een acteur uit het buurland aan de cast
toegevoegd. Een nog zwakkere vorm van samenwerking is dat een land gewoon een productie
in het buurland aankoopt en uitzendt.
“Echte coproducties” genieten
uiteraard de voorkeur, maar ook cofinanciering of het overnemen van elkaars
programma’s of formats, draagt bij tot een beter contact tussen de omroepen
enerzijds, en tot een betere kennis over elkaar van Nederlanders en Vlamingen
anderzijds.
Positief aan coproducties is dat
er meer financiële middelen beschikbaar komen aangezien het draagvlak groter
wordt, en dat uit een aantal fondsen geput kan worden. Voor een kostbare tak
als de productie van drama is dit gegeven zeer belangrijk. Wel is het zo dat
coproduceren ook extra kosten meebrengt (reiskosten, meer locaties, enz.).
Positief is ook dat er een
culturele versterking optreedt als Nederland en Vlaanderen samenwerken en dat
er een schaalvoordeel speelt aangezien men met een goed gezamenlijk product het
gehele taalgebied kan bestrijken.
Voorts is het technisch ook een
voordeel dat men elkaars kennis, ervaring en faciliteiten kan benutten.
Alle elementen samen moeten leiden
tot een kwalitatief beter product[60].
Een nadeel van coproductie kan
zijn dat van de kijker een grotere inspanning gevraagd wordt, bv. om het
taalgebruik of de andere klank van de buur te begrijpen. Er komt ook wel wat
administratieve rompslomp bij kijken, het kost vaak meer tijd, en de
verschillen in cultuur en in de structuren tussen de omroepen moeten overwonnen
worden.
Als
een vervolg op het symposium over de toegankelijkheid van Nederlands-Vlaamse
audiovisuele coproducties (Brussel, 19 april 2002), formuleerde de Commissie
Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland op 9 mei 2003 een advies (bijlage 5).
Daarin zegt CVN o.m.:”
Ook blijkt in de praktijk dat een coproductie waarin Nederland het voortouw
neemt, in Vlaanderen wel eens als minder toegankelijk wordt ervaren, en
omgekeerd. Dat heeft te maken met de stijl van het product, maar vooral met het
taalgebruik. Doorgaans is er ondertiteling. Dat neemt niet weg dat ook
voorbeelden genoemd kunnen worden van Vlaamse producties die het in Nederland
uitstekend doen, en omgekeerd.
De Commissie is van mening dat de gemeenschappelijkheid bij coproducties
een meerwaarde biedt en dat het in de eerste plaats steeds de bedoeling moet
zijn door samenwerking de kwaliteit te bevorderen. Coproducties bieden sterkere
kansen om uit te monden in kwalitatief hoogwaardige programma's en, in het
algemeen, in betere radio- en televisieproducties, dit zowel naar de vorm als
naar de inhoud.
Coproducties waarbij Nederlanders en Vlamingen ook inhoudelijk
samenwerken (concept, productie) of die onderwerpen behandelen die raken aan
het thema "gemeen-schappelijkheid", verdienen volgens de commissie
bijzondere aandacht en ondersteuning. Dat het Nederlands als gemeenschappelijke
taal van Nederland en Vlaanderen op de Europese audiovisuele markt dreigt te
worden weggespeeld, betekent voor de Commissie een culturele verarming die
vermeden moet worden. “
Zoals in alle landen heeft de
openbare omroep in Vlaanderen en Nederland volgens CVN een belangrijke taak wat
het hanteren en propageren van de standaardtaal betreft. Via de taalraadsman en
de website http://VRTtaal.net
doet VRT hier inspanningen. De Vlaamse nieuwslezers worden ook in Nederland
geprezen voor hun “correct taalgebruik”.
De talrijke uitzendingen - vooral
fictie – waarin een tussentaal met elementen uit het dialect en het “schoon
Vlaams” wordt gebruikt, vormen hier een dissonant.
Het gebruik van deze
taalvarianten, die zelfs voor het eigen Vlaamse kijkerspubliek in een aantal
gevallen niet verstaanbaar zijn, noodzaken de Nederlandse omroepen ertoe de
producties te ondertitelen als ze die overnemen.
In haar Taalcharter stelt
de VRT: “De VRT hanteert als openbare omroep in beginsel de standaardtaal. Een
openbare omroep wil een zo ruim mogelijk publiek bereiken en doet dat in een
taal die binnen zijn cultuurgroep als gemeenschappelijk communicatiemiddel
wordt gehanteerd. Dat kan niet anders dan de cultuurtaal (de standaardtaal)
zijn, de taal die de leden van die cultuurgemeenschap in hun contacten met de
overheid, in het onderwijs, in de kunst en de literatuur gebruiken. (…) Dialect
en tussentaal zijn geenszins uitgesloten, maar ze kunnen alleen worden gebruikt
in programma's waarin ze functioneel zijn, met name in fictie en in
uitzendingen over streekcultuur. In soaps, feuilletons en comedyseries van
eigen bodem mag dialect en tussentaal te horen zijn. Als er personages uit een
bepaald milieu opgevoerd worden, mogen ze klinken zoals die mensen spreken. Het
komt de geloofwaardigheid van de personages alleen maar ten goede. Maar denk
erom dat er ook mensen zijn die geen tussentaal of dialect spreken. Als de
VRT-fictieprogramma's een spiegel van de maatschappij willen zijn, moet ook het
taalgebruik in al zijn registers en varianten te horen zijn. In programma's
over streekcultuur is uiteraard ook de streektaal op haar plaats.
In de praktijk moeten we ervoor
waken dat het gebruik van dialect en tussentaal de communicatie niet in gevaar
brengt.”[61]
Het ook in het Taalcharter
genoemde argument dat het gebruik van taalvarianten inherent verbonden is met
het product, en dat men daar precies een volkser karakter of bepaalde gevoelens
mee wil communiceren, snijdt volgens CVN weinig hout.
In zijn laudatio ter gelegenheid
van de Visser-Neerlandiaprijs aan BVN, zei Mediaminister G. Bourgeois: “Ik vind
het verschrikkelijk dat Nederlandse tv-programma’s in Vlaanderen ondertiteld
worden en vice-versa. (…) Het gesproken woord groeit in Nederland en Vlaanderen
al te zeer uiteen. Eenheid in de gesproken taal moet een prioriteit worden”[62].
CVN deelt deze visie.
Aanbeveling:
Het blijft een van de taken van de
VRT om een helder standaard-Nederlands te gebruiken en te propageren, ook in
het fictie-aanbod. In die context zullen dialecten, “schoon Vlaams” en de
tussentaal die een mengvorm is van beide, slechts in uitzonderlijke gevallen
gebruikt worden. Het gebruik van voor Nederland onbegrijpelijke taalvarianten
belemmert de toegankelijkheid van Vlaamse audiovisuele producties voor het
buurland.
Fondsen
Naast Europese financieringsbronnen
zoals het MEDIA-programma en EURIMAGES, waarvoor doorgaans meer dan twee
partners nodig zijn, kunnen Vlaanderen en Nederland voor hun coproducties
putten uit specifieke fondsen die in beide landen voorhanden zijn. Soms zijn
die fondsen enkel toegankelijk voor de openbare omroep, soms enkel voor
onafhankelijke producenten, soms enkel voor bioscoopfilms, maar via
samenwerkingsverbanden kunnen vaak achterpoortjes geopend worden.
Aan Nederlandse kant zijn er de
Stichting Coproductiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO), Stichting
Stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepproducties, Holland Film en het
Nederlands Fonds voor de Film.
Aan Vlaamse kant is er het Vlaams Audiovisueel Fonds.
Lange tijd bestond er ook binnen de VRT een geoormerkt budget voor coproducties
met Nederland. Dat is niet langer het geval (bijlage 7).
Het CoBO-fonds is steeds het belangrijkste geweest, maar
het aantal Nederlands-Vlaamse coproducties dat door het fonds wordt
ondersteund, lijkt enigszins terug te lopen. In 2000 financierde het fonds 11
coproducties met de VRT, in 2001 7, in 2002 9, in 2003 13, in 2004 6 en in 2005
3 (bijlage 8).
Het CoBO-fonds wordt gevoed met kabelgelden en richtte
zich aanvankelijk zeer sterk op Vlaanderen. Aan Vlaamse zijde werden de
kabelgelden, waar aanvankelijk ook een deel van gereserveerd werd voor
coproducties met Nederland, opgenomen in de algemene middelen van de VRT. Zo
putte de VRT in 2004 ongeveer 7 miljoen euro uit de vergoedingen die de
Nederlandse kabelmaatschappijen betaalden voor het doorgeven van Vlaamse
programma’s[63].
De Nederlandse publieke omroepen lijken de laatste jaren
makkelijker tot coproducties te komen met Duitsland dan met de VRT. Het
CoBO-fonds heeft enkel een ondersteunende, geen sturende rol[64].
Mede om die reden is er dringend behoefte aan een Vlaams budget voor
coproducties met Nederland.
De filmsector geeft hier het voorbeeld: in 2004 spraken
het Nederlands Fonds voor de Film en het Vlaams Audiovisueel Fonds af dat ze
voortaan elk jaar 6 Nederlands-Vlaamse coproducties zullen ondersteunen, voor
een totaal bedrag van 1,2 miljoen euro per jaar[65].
De VRT en de Nederlandse publieke omroep bereidden de
voorbije maanden een systeem voor waarbij per jaar 6 miljoen euro besteed zou
worden aan Nederlands-Vlaamse coproducties op het gebied van fictie.[66] en
[67]
In haar advies van 9 mei 2003
(bijlage 5) zegt CVN: “Vandaag blijkt dat Nederlands-Vlaamse
projectvoorstellen binnen Eurimages al te vaak worden afgewezen. Een van de
redenen is dat producten die door een klein taal- en cultuurgebied en door
relatief onbekende filmmakers worden geproduceerd, een kleinere kans maken
commercieel door te breken in het circuit. Samen kunnen de Nederlandse en
Vlaamse fondsen, als vertegenwoordigers van een niet te verwaarlozen
taalgebied, zich inspannen om deze (voor)oordelen weg te werken. De Nederlandse
en Vlaamse overheden kunnen er op hun beurt op het internationale forum de
aandacht op vestigen dat de selectie van coproductievoorstellen niet louter aan
de hand van commerciële maatstaven mag gebeuren.”
In haar advies schaart de Commissie zich achter het
standpunt dat het louter, zij het grensoverschrijdend, aankopen van elkaars
programma's door Nederlandse, respectievelijk Vlaamse omroepen, niet voor
subsidie in aanmerking komt. Ook het standpunt dat het CoBO-fonds, gevoed door
kabelgelden, niet mag openstaan voor commerciële omroepen, wordt door de
Commissie overgenomen.
In haar advies constateert CVN
ook: “Blijkbaar bestaat er eveneens een behoefte aan een
overlegplatform waarop de Nederlandse en Vlaamse fondsen elkaar geregeld
ontmoeten. CVN is bereid het initiatief te nemen tot de oprichting van een
dergelijk platform en dit in een aanvangsfase te faciliteren. Van de fondsen
wordt verwacht dat zij het begeleiden van dit forum op korte termijn overnemen,
bv. bij toerbeurt.”
Tussen VRT en NOS en VRT en de
Nederlandse zendgemachtigden worden traditioneel coproducties gemaakt voor
televisie (en radio). In de jaren ’80 en ’90 waren er dat vaak tientallen per
jaar[68].
Maar steeds vaker gaat het om cofinanciering i.p.v. echte coproductie. (bijlage
9)
Halfweg 2002 ondertekenden VRT en
TROS een intentieverklaring waarbij TROS zich ertoe verbond in de periode tot
eind 2004 van VRT 100 uren fictie aan te kopen. Het ging vooral om een financiële
operatie waarbij TROS 2,2 miljoen euro of 10% van het productiebudget inbracht,
maar ook enige inbreng in acteurswissels en scenario’s werd mogelijk gemaakt.
Series als Flikken, Stille Waters, Sedes en Belli en De
Zaak Alzheimer maakten deel uit van het pakket[69].
In 2005 kwam de serie De Saga
van Oberon op de buis, een 13-delig spelprogramma (“history reality
reeks”) waarin Nederlandse en Vlaamse deelnemers worden opgevoerd in een
Middeleeuws decor. Ook Oberon is een coproductie VRT – TROS. De gemiddelde
kijkdichtheid in Vlaanderen voor de uitzendingen tussen 14 oktober en 18
november 2005 was 368.547 kijkers of een marktaandeel van 14,6%. De waardering
was gemiddeld 7,3[70].
Eveneens na 6 uitzendingen bereikte Oberon in Nederland gemiddeld
390.000 kijkers, met een kijktijdaandeel van 6%, en een waardering van 7,5[71].
De 13-delige fictiereeks Witse (reeks
2) is een coproductie VRT- TROS en kwam bij VRT op de buis tussen begin
december 2004 en eind februari 2005. De gemiddelde kijkdichtheid in Vlaanderen
was 1.486.426 kijkers, of een marktaandeel van 26,1%. De waardering was
gemiddeld 8,1[72].
De eerste reeks van Witse –
toen nog geen coproductie – haalde in Vlaanderen gemiddeld een kijkdichtheid
van 1.581.801 kijkers, goed voor een marktaandeel van 59,7%. De waardering was
eveneens 8,1. In Nederland keken gemiddeld 375.000 mensen naar Witse (reeks
1), maar het programma werd er uitgezonden op dinsdagavond, na 23 u. Het
kijktijdaandeel was 11%, de waardering 7,6[73].
De fictiereeks Flikken
(reeks 6) was eveneens een coproductie VRT – TROS. Op VRT werden de 13
afleveringen uitgezonden tussen begin september en eind november 2004. Er keken
gemiddeld 1.123.931 Vlamingen, goed voor een marktaandeel van 19,8%. De
waardering was gemiddeld 8[74].
Reeks 6 werd in Nederland nog niet uitgezonden.
Voor de vorige reeksen van Flikken
zijn wel cijfers voorhanden in Vlaanderen en Nederland. In Vlaanderen kon reeks
1 van Flikken (uitgezonden in 1999-2000) rekenen op
gemiddeld 1.411.533 kijkers. Dit is een marktaandeel van 52,9%. De waardering
was 8.
Reeks 2 (uitgezonden in 2000-2001) had gemiddeld 882.117
kijkers, een marktaandeel van 34% en een waardering van 8,1.
Reeks 3 (2001) trok 1.085.608 kijkers of een marktaandeel
van 41,2 %. Het waarderingscijfer was 8,2.
Reeks 4 (2002) van Flikken kon rekenen op gemiddeld
1.069.055 kijkers. Dit is een marktaandeel van 41,2%. De waardeling stond op
8,2.
Reeks 5 (2003) had gemiddeld 1.269.589 kijkers of een
marktaandeel van 48,1%. De waardering was 8,2[75].
Nederland 2 zond de reeksen uit in 2002 t.e.m. 2005, maar
ook al omdat sommige afleveringen niet werden overgenomen, is het moeilijk om
op basis van de cijfers een onderscheid te maken tussen de verschillende
reeksen.
In ieder geval had Flikken in 2002 (grotendeels
afleveringen uit reeks 1) gemiddeld 1.351.000 kijkers, goed voor een
marktaandeel van 22,2%. In 2003 waren er gemiddeld 912.000 kijkers of 14,3%,
met een waardering van 7,9.
In 2004 keken gemiddeld 791.000 Nederland 2-kijkers of
13,8%, met een waardering van 7,8. In 2005 telden we gemiddeld 611.000 kijkers
met een marktaandeel van 13,1% en een waardering van 7,7[76].
Door het verschil in moment van uitzenden en concurrentie
van het ogenblik op andere zenders, is het zeer moeilijk een vergelijking te
maken tussen Vlaanderen en Nederland wat aantal kijkers en marktaandeel
betreft. De waardering is echter wel vergelijkbaar.
Wat zuivere aankoop betreft, komen
4,81% van de in 2004 tussen 18.00 u en 23.00 u uitgezonden programma’s op VRT
(TV1, Canvas, Ketnet en Sporza samen) uit Nederland. Dat is zelfs minder dan
producties uit Azië/Oceanië (4,93%), en veel minder dan producties uit het
Verenigd Koninkrijk (35,79%) en de Verenigde Staten (32,77%). Uitschieter is
TV1, dat 25,04% van de uitzendingen tussen de genoemde uren in Nederland aankoopt,
tegenover 41,08% in de Verenigde Staten en 21,50% in het Verenigd Koninkrijk.
In 2003 werd 17,96% van de programma’s op TV1 tussen 18.00 u en 23.00 u in
Nederland aangekocht. De goede cijfers in 2004 zijn o.m. het resultaat van de
uitzending van de succesvolle Nederlandse reeksen Baantjer en Meiden
van De Wit[77].
Het Nederlandse aandeel op Canvas,
Ketnet en Sporza is quasi te verwaarlozen.
In 2005 had Baantjer op VRT
gemiddeld 592.287 kijkers of een marktaandeel van 25,6%. Over de periode 2000
t.e.m. 2005 (252 uitzendingen) had Baantjer op VRT gemiddeld 542.632
kijkers of een marktaandeel van 26,1%. De waardering lag op 7,8[78].
Voor Meiden van De Wit zijn
er op VRT in 2005 gemiddeld 408.342 kijkers, of een marktaandeel van 20,4%.
De 25 afleveringen die in 2004 en
2005 door VRT werden uitgezonden, bereikten gemiddeld 455.008 kijkers of een
marktaandeel van 22,4%. Het waarderingscijfer was 7,5[79].
In haar advies van 27 april 2005
(bijlage 2) zegt CVN: “Wat de coproducties
betreft, juicht onze Commissie de recente afspraak toe tussen het Vlaams
Audiovisueel Fonds en het Nederlandse Filmfonds om elk jaar samen een zestal
coproducties te financieren. Het verdient aanbeveling dat ook de openbare
omroepen een vergelijkbaar engagement aangaan.” In de praktijk zal VRT
afspraken moeten maken met de Nederlandse zendgemachtigden, zoals dat gebeurde
met TROS.
Aanbeveling
Het zou een belangrijke stap
zijn als VRT, zoals vroeger het geval was, een geoormerkt budget ter
beschikking zou houden voor coproducties met Nederland. Coproducenten kunnen
dan uit dit budget putten, alsook uit bv. het Nederlandse CoBO-fonds.
Hoewel coproduceren – wat een
hechte samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen vereist – steeds de voorkeur
krijgt, is het ook belangrijk dat Vlaanderen en Nederland elkaars eigen, niet
gecoproduceerde, producten aankopen. Het blijft immers nuttig dat Vlamingen en
Nederlanders in contact komen met elkaars audiovisuele productie. Op die manier
maken ze kennis met het buurland en onderkennen ze de gelijkenissen en
verschillen op het gebied van taal, cultuur en samenleving. De hierboven
geciteerde cijfers bewijzen trouwens dat er een groot aantal Vlamingen kijkt
naar Nederlandse programma’s en omgekeerd, en dat de waarderingscijfers over en
weer zeer behoorlijk zijn.
Dat Vlaanderen en Nederland
gezamenlijk aankopen in derde landen, kan sporadisch wel financieel voordelig
zijn, maar de laatste jaren spelen meer elementen mee bij de prijsbepaling van
buitenlandse producties, bv. ook de concurrentie[80].
Aanbeveling
Het is belangrijk dat VRT,
naast de coproducties – die meetellen voor het quotum – ook
niet-gecoproduceerde producties van Nederlandse zenders aan-koopt en uitzendt.
Als Nederlandse omroepen in ruil VRT-producties aankopen, tellen die in
Nederland wel mee voor het quotum.
De voorbije decennia zijn naast de
openbare omroepen tal van andere spelers op het veld gekomen. Zo deden de
commerciële zenders hun intrede en gaan de omroepen – ook de openbare – het
aanmaken van programma’s steeds meer uitbesteden aan derden, aan
productiehuizen als Joop van den Ende in Nederland of Woestijnvis in
Vlaanderen. Terloops vermelden we dat via aandelenstructuren ook wel eens
Nederlands-Vlaamse dwarsverbindingen ontstaan in de particuliere audiovisuele sector:
de Vlaamse Televisiefabriek van Paul Jambers werd begin 2004 overgenomen door
het Nederlandse Eyeworks[81]. De
SBS is zowel eigenaar van VT4 en VijfTV in Vlaanderen als van bv. SBS6 in
Nederland. Ook TMF heeft voet aan de grond in beide landen[82].
Reeds bij de opstart van de commerciële zender VTM in Vlaanderen eind jaren ’80
– begin jaren ’90, was er een aanzienlijke Nederlandse inbreng aan kapitaal en
technische ondersteuning. De Nederlandse VNU Dagbladengroep bezat in 1993 44,3%
van de aandelen van de Vlaamse commerciële zender VTM[83].
Ook commerciële zenders in
Nederland en Vlaanderen maken coproducties. Hoewel die geen hogere culturele
doeleinden nastreven, zijn ze niet onbelangrijk omdat Vlamingen en Nederlanders
elkaar in die programma’s “bezig zien” en elkaar op die manier hoe dan ook
beter leren kennen. Door de interactie worden vooroordelen nu eens bevestigd,
dan weer ontzenuwd. In vele formats nemen Nederlanders en Vlamingen het tegen
elkaar op. Nu eens komen ze in aparte
Voorbeelden van series waarin
Nederlanders en Vlamingen tegen elkaar uitgespeeld worden op de commerciële
omroep, zijn Double Trouble (2000, TMF), Now or Neverland (2000,
VT4–SBS6), waarin 6 Vlamingen het opnamen tegen 6 Nederlanders, De Bus
(2000, VT4–SBS6), waarbij 6 Nederlandse en 6 Vlaamse kandidaten samen
rondtrokken in een bus, Expeditie Robinson (2000, VT4 en Net5, sinds
2005 Talpa–Kanaal2), waarbij twee ploegen die elk uit een aantal Nederlanders
en een aantal Vlamingen bestaan, het tegen elkaar opnemen; Temptation Island
(VT4–Veronica), Peking Express (VT4–Net5), Paradise Hotel (VT4–Veronica),
Terra Incognita (2005, VT4–Net5) …
De commerciële zenders maken niet
alleen coproducties, ze nemen ook programma’s of formats van elkaar over. Zo
zond de Nederlandse commerciële zender RTL4 eind 2003 de VTM-serie Aspe
uit, naar de romans van Pieter Aspe. VTM zond in het voorjaar van 2004 de
TROS-politieserie Spangen uit. Nederland 3 zendt vanaf januari 2005 een
Nederlandse versie van het VRT-programma De Notenclub uit. De productie
bleef in handen van het Vlaamse WEB Producties en in de Nederlandse versie
neemt een Vlaamse ploeg het op tegen een Nederlandse. Eerder nam Nederland
formats over van Woestijnvis (Man bijt Hond, De Mol, De XII Werken, Schalkse
Ruiters, Alles kan beter) en Vlaanderen van Nederland (Wedden dat,
Klasgenoten, Big Brother, Kopspijkers door VTM, Per Seconde Wijzer
door Canvas).
In deze tijden waarin
“publiek-private samenwerking” of PPS het ordewoord is, mag het geen verbazing
wekken dat er ook uitwisseling bestaat tussen de commerciële omroepen en de
publieke omroepen.
Zo nam de VRT de RTL4-serie Baantjer
over, nam AVRO De Pfaffs over van VTM, en zond TROS de VTM-serie Spoed
uit.
Het Nederlandse jeugdnet Zappelin
ruimde in het najaar van 2003 een programmablok in voor producties van het
Vlaamse Studio 100, een productiehuis dat zowel leverancier is van VRT als van
VTM. Studio 100 brengt o.m. Samson en Gert, Kabouter Plop, Big
en Betsy, Wizzy en Woppy, en K3.
In augustus 2004 – in volle heisa
rond de omroephervorming in Nederland - maakten TROS en VTM bovendien bekend
dat ze plannen hadden om in Nederland samen een commerciële familiezender te
beginnen. In oktober liet ook AVRO weten interesse te hebben om hieraan mee te
werken[84].
Op gezette tijden steekt de
discussie de kop op of er wel voldoende aandacht wordt besteed aan cultuur op
de openbare omroep. Al snel wordt in Vlaanderen dan ingebracht dat samenwerking
met Nederland in dit dossier voor de hand ligt. In het begin van de jaren ’80
kwam zelfs het – nooit uitgevoerde - voorstel voor een gezamenlijke Nederlands-Vlaamse
“Canal Grande”, waar grote aandacht zou gaan naar cultuur (zie hoger).
Volgens de “Escort-codificatie”
van de European Broadcasting Union besteedde TV1 wat het aanbod “Art and
Culture” betreft in 2004 4,4% van de zendtijd aan kunst en cultuur (190 uur).
Voor Canvas/Ketnet was dat 2% (85 uur). De Nederlandse publieke omroepen komen
in het overzicht niet voor omdat zij “kunst en cultuur” onderbrengen bij
“informatie en educatie”[85].
De technische evoluties bieden
steeds nieuwe mogelijkheden. Na de kabel en de satelliet, zijn er internet en
de digitale televisie. Digitale televisie biedt nieuwe perspectieven voor
themakanalen, bv. voor een cultureel themakanaal.
Op 24 december 2000 presenteerde
Gerard Hulshof zijn Onderzoek naar de mogelijkheden van de introductie van
een cultuurzender[86], een
rapport dat hij in opdracht van de raad van bestuur van de NOS had geschreven.
Hulshof ging in zijn rapport uitdrukkelijk na welke mogelijkheden er waren om
samen te werken met Vlaanderen: “Het moge duidelijk zijn dat de NOS, gelet op
de voorgeschiedenis, moet nagaan of het initiatief van een cultureel
themakanaal niet al in een vroeg stadium samen met België moet worden
ontwikkeld”[87].
Hulshof waarschuwt er wel voor dat
het oprichten van een cultureel themakanaal niet ten koste mag gaan van het
culturele aanbod in de reguliere programmering: “Het culturele aanbod trekt een
veel groter en breder publiek op general interest dan op een themakanaal (mede
omdat een groot aantal uitzendingen niet als kunst/cultuur wordt ervaren). Een
themakanaal mag dus niet/nooit ten koste gaan van aanbod op algemene zenders”[88].
Hans van Beers had zich eerder al
in dezelfde zin uitgesproken: “Enerzijds kan een dergelijk kanaal voorzien in
extra vertoningsmogelijkheden van relatief dure, culturele televisieproducties.
In het toekomstig digitaal en individueel programma-aanbod volgt een dergelijk
themakanaal een logische ontwikkeling. Anderzijds bestaat er, los van de extra
kosten, het risico van verschraling van het culturele aanbod op de reguliere
zenders”[89].
Niettemin adviseerde de Commissie
Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland op haar Culturele Conferentie in 1999:
“De Commissie Cultureel Verdrag beveelt aan dat de NOS en de VRT gezamenlijk de
behoefte en de mogelijkheid onderzoeken van een gezamenlijk cultureel
themakanaal.[90]”
Eind
2004 werd het debat of de openbare omroep meer aandacht moet besteden aan
cultuur, opnieuw gevoerd. Op 14 januari 2005 schreef CVN in een advies (bijlage
12): “De Commissie vindt dat het hoe dan ook tot de opdrachten van de publieke
omroepen behoort om in de programmering aandacht te besteden aan cultuur in de
brede betekenis van het woord. Als daarenboven de behoefte wordt gevoeld om een
afzonderlijk (digitaal) cultuurkanaal op te richten, vindt de Commissie dat
onderzocht moet worden of Vlaanderen en Nederland hier kunnen samenwerken.
In
de omringende landen heeft zo’n bilaterale samenwerking geleid tot de
oprichting van Arte, het kunst- en cultuurkanaal van Frankrijk en de
Bondsrepubliek Duitsland. Nederland heeft enige ervaring gehad met een beperkt
kunst- en cultuurkanaal binnen het domein van de kabeltelevisie. Enkele jaren
geleden werd in opdracht van de NOS, de Nederlandse openbare omroep, een studie
uitgevoerd naar samenwerkingsmogelijkheden met Vlaanderen op dat gebied.
De
Raad van Bestuur van de Publieke Omroep in Nederland ontwikkelt op dit moment
een boeket van digitale themakanalen, waarbinnen een kunst- en cultuurkanaal
tot de vijf kanalen met prioriteit behoort.
Wij
roepen de Nederlandse en de Vlaamse politieke verantwoordelijken en de
verantwoordelijken voor de publieke omroepen op in dit dossier een
Nederlands-Vlaams overleg op gang te brengen en na te gaan hoe kan worden
samengewerkt.”
De
Strategienota Nederland, die de Vlaamse Regering in oktober 2005
opstelde, noemt als operationele doelstelling: “Onderzoek naar wenselijkheid en
mogelijkheid tot het opzetten van een gemeenschappelijk cultuurkanaal” (punt
3.2, strategische doelstelling 1, tabel 2).
In
haar advies van 27 april 2005 (bijlage 2) formuleert CVN het als volgt: “M.b.t.
de plannen om een cultuurkanaal uit te bouwen, pleiten wij ervoor dat de VRT
structureel samenwerkt met de Publieke Omroep in Nederland, die op dat gebied
al vrij ver staat”.
Om
een cultuurkanaal uit te bouwen, vraagt de VRT 13,5 miljoen euro per jaar aan
de Vlaamse overheid. Dat is een veelvoud van wat de Nederlandse themakanalen
gaan kosten[91].
De VRT is van plan een groot aantal nieuwe, zelf gemaakte culturele programma’s
te brengen[92].
De Nederlandse Publieke omroep daarentegen legt de klemtoon op
archiefmateriaal, omdat het gevaar dan kleiner is dan het culturele aanbod in
de reguliere programmering vermindert. CVN deelt de Nederlandse visie dat een
cultuurkanaal in de eerste plaats gebruik moet maken van materiaal dat eerder
op de open netten werd uitgezonden en van materiaal uit de rijke archieven van
de omroepen.
De
VRT deelt mee dat de omroep voor zijn “crossmediale cultuurmerk”[93]
in contact is met NPS. Met crossmediaal aanbod bedoelt men: een aanbod waarbij
één concept via verschillende media wordt aangeboden. Er komt een “Cultuurmerk”
(zoals nu bv. Sporza) dat over de verschillende media gespreid wordt (radio,
tv, internet, e.a.). De coördinator bij VRT is Walter Couvreur, bij NPS Loes
Helsloot. Beide personen werken los van elkaar een voorstel uit om voor te
leggen aan hun respectieve overheden. Het is de bedoeling om samen te werken
waar het kan. NPS heeft hiervoor een redactieraad samengesteld waar Walter
Couvreur deel van uitmaakt. In januari 2006 komen beide verantwoordelijken
samen om de stand van zaken te bespreken en de mogelijkheden tot samenwerking
in kaart te brengen. Dit zal zich in eerste instantie vooral situeren op het
vlak van de juridische aspecten en de uitwisseling van producties uit het
archief[94].
Uiteraard
behoort samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen met een initiatief als Arte
eveneens tot de mogelijkheden. Het kan een relatief goedkope manier zijn om de
Nederlandse cultuur in Europa te presenteren.
Aanbeveling
Het is van groot belang dat de
openbare omroep in de reguliere programmering nog meer aandacht besteedt aan
cultuur. Indien de Nederlandse en Vlaamse publieke omroepen daarnaast besluiten
een (digitaal) cultuurkanaal in het leven te roepen, dan is het wenselijk dat
zij daartoe een gezamenlijk initiatief nemen, en dat het initiatief niet ten
koste gaat van het culturele aanbod op de open netten. Een gezamenlijk
(digitaal) cultuurkanaal moet aandacht besteden aan cultuur in ruime zin, in
Nederland en Vlaanderen.
In
1996 ging in Oost-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen Euregio tv van start.
Na 15 proefafleveringen werd het grensoverschrijdende project stopgezet[95].
De
initiatiefnemers gingen op zoek naar financiële middelen, o.a. in het kader van
het Europese Interregprogramma voor samenwerking in de grensstreken[96].
Aan
Vlaamse kant rezen enkele wettelijke bezwaren. Zo vond men dat het brengen van
Nederlandse reclame indruiste tegen de bepaling dat regionale zenders in
Vlaanderen enkel “streekgebonden reclame” mogen uitzenden (met het decreet van
14 november 2000 werd deze belemmering weggenomen). Ook had de Zeeuws-Vlaamse
Televisie in Nederland geen erkenning, en werd de samenwerking met Vlaanderen
als een truc aangezien om toch op de Nederlandse kabel te geraken.
CVN stelde op 9 november 1999 een
advies op waarin het belang van grensoverschrijdende regionale tv werd
beklemtoond: “De Commissie acht het van groot belang dat mensen
aan weerszijden van de grens elkaar beter leren kennen. De regionale media, met
name de televisie, spelen hier een onvervangbare rol” (bijlage 11).
In januari 2005 besloot de
stuurgroep van de Euregio Scheldemond gedurende drie jaar een regionaal
tv-project te financieren. In april 2005 startten de uitzendingen van De
Zeeuw van Vlaanderen, een coproductie van Omroep Zeeland, AVS
(Oost-Vlaanderen) en Focus-WTV (West-Vlaanderen)[97].
Ook de regionale televisiezenders
in Nederlands en Belgisch Limburg ontplooien grensoverschrijdende initiatieven.
Zo leidde (het Vlaamse) TV Limburg in het najaar van 2005 vier studenten van de
Universiteit Maastricht op tot videojournalisten[98].
Samenwerking VRT – Nederlandse
Publieke Omroep
Het Vlaamse en het Nederlandse
parlement en de beide regeringen hebben zich in het Taalunieverdrag (1980)
enerzijds en het Cultureel Verdrag (1995) anderzijds uitgesproken voor een
nauwe samenwerking, ook op het gebied van de media. Het ligt bijgevolg voor de
hand dat de openbare omroepen concreet gestalte geven aan deze beleidsafspraken.
Het is van groot belang dat het management
van de VRT geregeld en gestructureerd overlegvergaderingen heeft met de
collega’s van de Nederlandse Publieke Omroep.
Er
bestaat bovendien behoefte aan een structureel platform waarop programmamakers
elkaar over de grens heen ontmoeten.
Aangezien
“het aandeel van de Vlaamse tv-producties en van de coproducties ten minste 50%
zal bedragen van het totale programma-aanbod uitgezonden tussen 18u en 23u”,
zoals elders in de beheersovereenkomst gestipuleerd, wordt de VRT geacht een
bijzondere inspanning te doen om Nederlandstalige coproducties op het
getouw te zetten met de Nederlandse Publieke Omroep en met de Nederlandse
zendgemachtigden. Dit sluit aan bij de taalparagrafen zoals die in het Vlaamse
omroepdecreet, in de Europese tv-richtlijn en in de Nederlandse Mediawet zijn
geformuleerd.
Omdat
niet alleen coproducties maar ook aangekochte Nederlandse producties van de
Vlaamse kijker een hoge waardering krijgen, verdient het aanbeveling dat de VRT
ook eigen, niet-gecoproduceerde Nederlandse producties aankoopt.
Het
blijft een van de taken van de VRT om een helder standaard-Nederlands te
gebruiken en te propageren, ook in het fictie-aanbod. In die context zullen
dialecten, “schoon Vlaams” en de
tussentaal die een mengvorm is van beiden, slechts in uitzonderlijke gevallen
gebruikt worden.
De VRT dient, zoals vroeger het geval was, een geoormerkt
budget ter beschikking te houden voor coproducties met Nederland.
Coproducenten kunnen dan uit dit budget putten, alsook uit bv. het Nederlandse
CoBO-fonds. Op die manier komt er ook in Vlaanderen een specifiek budget tot
stand voor Nederlands-Vlaamse coproducties op het gebied van
televisieprogramma’s, naar analogie van het specifieke budget dat door de beide
filmfondsen voor coproducties op filmgebied wordt voorbehouden.
Als zich in de nabije toekomst nog
tijdelijke projecten aandienen zoals de Europese voetbalkampioenschappen
in 2000, dan zal VRT het initiatief nemen om na te gaan of tussen de
Nederlandse en de Vlaamse publieke omroepen opnieuw een ad-
hocsamenwerkingsverband tot stand kan komen zoals dat het geval was met FORTO.
Complementair aan het eigen
netwerk van Vlaamse correspondenten zal VRT een beroep blijven doen op Nederlandse
correspondenten en zal VRT de eigen correspondenten ook ter beschikking
stellen van de Nederlandse Publieke Omroep. Dat is onder meer nuttig vanuit het oogpunt van een efficiënte
en kostenbesparende bedrijfsvoering. Het verdient
aanbeveling om op termijn – op een aantal uit het specifieke redactioneel
beleid voortvloeiende uitzonderingen na – te komen tot een gezamenlijk
correspondentennetwerk.
De
VRT zal op korte termijn gesprekken aanknopen met RNW om na te gaan of en hoe Radio
Vlaanderen Internationaal structureel kan samenwerken met Radio
Nederland Wereldomroep.
De VRT blijft de komende tijd
participeren in de Nederlands-Vlaamse satellietzender BVN. De VRT zal de
evolutie van nieuwe technologieën op de voet volgen en waar nodig complementair
aan de satelliet inzetten.
Het is van groot belang dat de
openbare omroep in de reguliere programmering nog meer aandacht besteedt aan
cultuur. De VRT zal het overleg met Nederland inzake het
(digitaal) cultuurkanaal intensiveren met als uiteindelijke doel dat de
Nederlandse en Vlaamse publieke omroepen een gezamenlijk (digitaal)
cultuurkanaal in het leven roepen. Dat themakanaal besteedt aandacht aan
cultuur in ruime zin, in Nederland en Vlaanderen, maar het initiatief mag niet
ten koste gaan van het culturele aanbod op de open netten.
NOTEN
[1] Tweede
Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VIII, nr.68, Vaststelling
van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(VIII) voor het jaar 2006
[2] Zie
literatuurlijst p.55
[3] Gesprek
T. Mary – W. Vandaele, 9 december 2005
[4] Gunst,
I., Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een Europese context,
hfdst. 1, §2.2.1
[5] Gunst,
I., Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een Europese context,
hfdst. 1, §2.2.4
[6] Gunst,
I., Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een Europese context,
hfdst. 1, §3.2.3
[7] Op de bijeenkomst in Liverpool, over de wijziging van de televisierichtlijn, eind september 2005, bevestigde Vlaanderen nogmaals dat het vasthoudt aan de quota
[8] De
zetelverplichting werd later geschrapt.
In dit verband noemen we het fenomeen van commerciële zenders die van buiten
het Nederlandse taalgebied uitzenden, maar zich in het Nederlands richten op de
Vlaamse en/of Nederlandse markt (bv. RTL)
[9] Vandaele,
W., Nederland-Vlaanderen 1990-1994, p.52
[10] Decreten
betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, art. 115
[11] Beheersovereenkomst
tussen de VRT en de Vlaamse Gemeenschap 2002-2006.
(Brussel, 7 juni 2001)
[12] Gunst,
I., Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een Europese context,
hfdst. 1, §2.2.2
[13] Beheersovereenkomst
tussen de VRT en de Vlaamse Gemeenschap 2002-2006. (Brussel, 7 juni 2001)
[14] Artikel
54, lid a
[15] Hadders, J., De
Europese Cultuurparagraaf. Een evaluatie vanuit Nederlands-Vlaams perspectief.
[16] Oorspronkelijk
artikel 128, intussen hergenummerd tot artikel 151
[17] Gesprek P. Van
de Velde – W. Vandaele, 23 november 2005
[18] Unesco General Conference, 33rd
session, Paris 2005, 33 C
www.unesco-vlaanderen.be
[19] Artikel 112, §1
[20] 1 september 2005
[22] Must-carry
van de publieke omroep is nooit betwist door DG Media en Interne Markt. Wel in
het kader van de Telecomrichtlijn, toen de universele dienstenrichtlijn aan de
orde kwam. (Gesprek P. Van de Velde – W. Vandaele, 9 december 2005)
[23] Gesprek P. Van
de Velde – W. Vandaele, 23 november 2005
[24] Bourgeois,
G., Beleidsnota Media 2004-2009, Vlaams Parlement, stuk 91, nr.1, 22 oktober
2004, p.16
[25] Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.52-53
De Maesschalk, E., in Audiovisuele
coproducties Nederland-Vlaanderen. Verslagboek symposium Brussel, 19 april
2002, p.29 e.v.
[26] Correspondentie H. Debackere – W. Vandaele, 14
november 2005
[27] Correspondentie
R. van Dammen – W. Vandaele, 24 november en 28 november 2005, en F. Leyts – W.
Vandaele, 28 november 2005
[28] Bijdrage van
Wouter Quartier, VRT-studiedienst, geciteerd in correspondentie H. Debackere –
W. Vandaele, 14 november 2005 en F. Leyts – W. Vandaele, 28 november 2005
[29] Bijdrage van
Wouter Quartier, VRT-studiedienst, geciteerd in correspondentie H. Debackere –
W. Vandaele, 14 november 2005 en F. Leyts – W. Vandaele, 28 november 2005
[30] Nysten, I., De
omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, p.36 e.v.
[31] Nysten, I., De
omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, schema’s op p.60, p.68,
p.79
[32] Nysten, I., De
omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, p.36 e.v.
[33] Nysten, I., De
omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, p.49 e.v.
[34] Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.55-56
[35] Vroeger ook wel
“zendgemachtigden”, vandaag “omroepen” en straks in de nieuwe wet “licentiehouders”
genoemd.
[36] In
de discussie m.b.t het hertekenen van het omroeplandschap in Nederland, wordt
herhaaldelijk gepleit voor het Vlaamse model, waarbij er naast een populair net
(cfr. Eén bij de VRT) voor een breed publiek een diepgaander net (cfr. Canvas
bij de VRT) bestaat. Hans van Beers verdedigde dit model nog in het
tv-programma NOVA op 10 december 2005
[37] Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.53
[38] Correspondentie
H. Debackere – W. Vandaele, 14 november en 23 november 2005, en gesprek L.
Heinsman – W. Vandaele, 25 november 2005
[39] De Volkskrant,
22 november 2005 en De Standaard, 28 november 2005
[40] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 november 2005 en gesprek P. Van de Velde – W.
Vandaele, 23 november 2005
[41] Correspondentie
H. Debackere – W. Vandaele, 14 november 2005
[42] Mededeling
J. Daalmeijer, 15 december 2005
[43] Nysten, I., De
omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, p.69 e.v.
[44] Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.55
[45] Correspondentie
H. Debackere – W. Vandaele, 14 november 2005
[46] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005) hfdst. 9
zie ook: Vlaams Parlement, Beleidsbrief Media, stuk 551, nr.1, 25
oktober 2005, hfdst. 2.3.3
[47] Correspondentie
J. Daalmeijer – W. Vandaele, 30 november 2005
[48] Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.57-58
[49] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 1.8
[50] Bourgeois,
G., Beleidsbrief Media, Vlaams Parlement, stuk 551, nr.1, 25 oktober
2005, hfdst. 2.3.1
[51] Artikel 5 van de
beheersovereenkomst
Het gaat om 1 uur per
uitzendblok van 6 uur. Dat blok wordt 4 keer per dag herhaald.
[52] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 2, p.6
[53] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 2.2
[54] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 8
[55] Gesprek P. Van
de Velde – W. Vandaele, 23 november 2005
[56] Correspondentie
J. Daalmeijer – W. Vandaele, 24 november 2005
[57] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 7
[58] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 1.5
[59] Sliepen,
A., Evaluatiedossier BVN 2003-2005 (mei 2005), hfdst. 6
[60] Audiovisuele
Coproducties Nederland-Vlaanderen. Verslagboek symposium Brussel, 19 april
2002, CVN
Audiovisuele coproducties
Nederland-Vlaanderen, CVN mei 2003
[61] http://VRTtaal.net
[62] Bourgeois,
G., Laudatio Noord-Zuid trofee aan BVN, Den Haag, 26 november 2005
[63] Gesprekken P.
Van de Velde – W. Vandaele, 23 november en 9 december 2005
[64] Correspondentie J. Hage – W. Vandaele, 9
november en 23 november 2005
[65] CVN-Nieuwsbrief
2004, nr.4, p.9
[66] Gesprek
T. Mary – W. Vandaele, 9 december 2005
[67] Door de onzekere toestand waarin het Nederlandse
omroepbestel zich momenteel bevindt, wordt niet voortgewerkt aan de plannen.
O.m. doordat de VRT nog een groot deel van de programma’s in eigen huis maakt,
is de kostprijs hoger: een aflevering van Flikken kost in Vlaanderen
350.000 euro, in Nederland 220.000 euro. Dit prijsverschil is een van de
hinderpalen bij coproductie (mededeling J. Daalmeijer, 15 december 2005)
[68] Vandaele,
W., Nederland-Vlaanderen 1990-1994, p.53-59;
Vandaele, W., Samenwerking
Nederland-Vlaanderen 1995-1999, p.58-62;
Gunst, I., Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een
Europese context, p.114-116
[69] CVN-Nieuwsbrief
2004, nr.4, p.9
[70] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 november 2005
[71] Correspondentie
R. van Dammen – W. Vandaele, 24 november 2005
[72] Correspondentie
R. van Dammen – W. Vandaele, 24 november 2005
[73] Correspondentie
R. van Dammen – W. Vandaele, 24 november 2005
[74] Correspondentie
H. Debackere – W. Vandaele, 14 november 2005
[75] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 november 2005
[76] Correspondentie
R. van Dammen – W. Vandaele, 24 november 2005
[77] VRT, jaarverslag-aanbod
2004, geciteerd in correspondentie H. Debackere – W. Vandaele, 14 november
2005
[78] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 november 2005
[79] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 november 2005
[80] Gesprek P. Van
de Velde – W. Vandaele, 23 november 2005
[81] CVN-Nieuwsbrief,
2004, nr.1, p.15
[82] De Standaard, 3
februari 2004 en De Morgen, 16 februari 2004
[83] Vandaele
W., Nederland-Vlaanderen 1990-1994, p.52
[84] CVN-Nieuwsbrief,
2004, nr.3, p.11 en 2004, nr.4, p.10
[85] Presentatie De
Culturele Meerwaarde van de VRT, voor de Raad voor Cultuur, september 2005
[86] Correspondentie G. Hulshof – W. Vandaele, 1 december 2005
[87] Hulshof, G., Onderzoek
naar de mogelijkheden van de introductie van een cultuurzender, p.36
[88] Hulshof, G., Onderzoek
naar de mogelijkheden van de introductie van een cultuurzender, p.39
[89] Verslagboek
Culturele conferentie, Gent, 26-27 november 1999, Brussel, 1999,
p.96-97
[90] Verslagboek
Culturele conferentie, Gent, 26-27 november 1999, Brussel, 1999, p.97
[91] Gesprek P. Van
de Velde – W. Vandaele, 23 november 2005
[92] Gesprek
T. Mary – W. Vandaele, 9 december 2005
[93] Haalbaarheidsstudie
voor een crossmediaal cultuuraanbod van de VRT, (VRT-rapport 2005)
[94] Correspondentie
F. Leyts – W. Vandaele, 24 en 28 november 2005
[95] Vandaele
W., Nederland-Vlaanderen 1990-1994, p.56
[96] Sevenoo,
A., Grensoverschrijdende regionale televisie Nederland-Vlaanderen. Kansen en
hindernissen” (rapport 1999)
[97] CVN-Nieuwsbrief,
2005, nr.1, p.22 en 2005, nr.3, p.13
[98] De Morgen, 3 november 2005
Literatuurlijst
Geraadpleegde literatuur, o.m.:
-
Audiovisuele
coproducties Nederland-Vlaanderen
(Verslagboek symposium Brussel, 19 april 2002), CVN
-
Audiovisuele
coproducties Nederland-Vlaanderen
(CVN, 9 mei 2003)
-
Beheersovereenkomst
tussen de VRT en de Vlaamse Gemeenschap 2002-2006
-
Biltereyst, D. & De Smaele,
H. (red.). Transformatie en continuïteit van de Europese televisie,
Gent, 2000
-
Bourgeois,
G. Beleidsnota Media 2004-2009 (Vlaams Parlement, stuk 91, nr. 1, 22
oktober 2004)
-
Bourgeois,
G. Beleidsbrief Media, beleidsprioriteiten 2005-2006 (Vlaams Parlement,
stuk 551, nr. 1, 25 oktober 2005)
-
De
Meyer, G. De rol van de televisie en de cultuur inde
respectieve verzuring en verzoeting van de samenleving. Tijdschrift voor
Communicatiewetenschap, 31: 381-414, 2003
-
D’Haenens,
L. & Saeys, F. (red.), Western Broadcasting at the Dawn of the 21st
Century, Berlijn, 2001
-
Haalbaarheidsstudie voor een
crossmediaal cultuuraanbod van de VRT, VRT,
najaar 2005
-
Hadders,
J. De Europese Cultuurparagraaf. Een evaluatie vanuit Nederlands-Vlaams
perspectief. Uitgave CVN, Brussel, 2002
-
Hoorzitting
over de VRT-studie inzake de financiering van de VRT, Vlaams Parlement, stuk 493, nr. 1, 10 oktober 2005
-
Hulshof,
G. Onderzoek naar de mogelijkheden van de introductie van een cultuurzender,
Hilversum, 24 december 2000
-
Gunst,
I. Nederlandstalige televisie-(co)productie binnen een Europese context. Een
onderzoek naar de samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland, scriptie
Universiteit Gent, mei 2004
-
Leyts,
F. De Culturele meerwaarde van de VRT, presentatie september 2005
-
Nieuwsbrief
Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland, jg. 2000 t.e.m. 2005
-
Nysten,
I. De omroepsamenwerking tussen Vlaanderen en Nederland. Een nieuwe
megafusie?, scriptie Universiteit Antwerpen, juni 2003
-
Pauwels, C. & Delaere, S. Europa
en de audiovisuele sector: transformaties in de driehoeksverhouding tussen
staat, individu en mediabedrijf. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap,
31: 314-337, 2003
-
Saeys, F. & Coppens, T. Business
of corebusiness: de opdracht van de West-Europese publieke omroepen nogmaals
ter discussie. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 31: 338-355, 2003
-
Sevenoo
A. Grensoverschrijdende regionale televisie Nederland-Vlaanderen. Kansen en
hindernissen. Een analyse van een innoverend Euregio Project van AVS
Oost-Vlaamse Televisie, 1999
-
Sliepen
A. Evaluatiedossier BVN over de periode 2003 t.e.m. 2005 ten behoeve van de
Vlaamse Gemeenschap (mei 2005)
-
Strategienota
Nederland, Vlaamse Regering, oktober
2005
-
Tweede Kamer der
Staten-Generaal, vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VIII, nr.68, Vaststelling
van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(VIII) voor het jaar 2006
-
Unesco
General Conference, 33rd session, Paris 2005, 33 C
Vandaele W. Nederland-Vlaanderen, 1990-1994 (p.52-62). Uitgave
Algemeen-Nederlands Congres
-
Vandaele
W. Samenwerking Nederland-Vlaanderen 1995-1999 (p.51-63). Uitgave CVN,
Brussel, 1999
-
Van Pelt, H. De omroep in
revisie, Leuven, 1974
-
Verslagboek Culturele
conferentie, Gent, 26-27 november 1999, Brussel,
1999,
p.96-97
-
Visienota over de evolutie van
de VRT naar een digitale Openbare Omroep, VRT, 4
november 2005
-
Voorontwerp
nieuw decreet voor VRT,
goedgekeurd door Vlaamse regering op 25 november 2005 (persmededeling Vlaamse
regering)
-
http://portal.omroep.nl/nossites/pubom
-
http://www2.vlaanderen.be/ned/sites/media
-
http://www.bvn.nl/html/algemeen.html
-
http://www.cvdm.nl/pages/home.asp
-
http://www.unesco-vlaanderen.be
Correspondentie en/of gesprekken met, o.m.:
-
Daalmeijer
Joop, hoofdredacteur Radio Nederland Wereldomroep
-
Debackere
Hilde, secretaris Raad van Bestuur en communicatiemanager VRT Deleu Jozef, lid
Raad van Bestuur VRT
-
Hage
Jeanine, directeur coproductiefonds
-
Heinsman
Louis, verantwoordelijke internationaal beleid Publieke Omroep
-
Hulshof
Gerard, lid Nederlandse Raad voor Cultuur, gewezen medewerker NOS
-
Mary
Tony, afgevaardigd bestuurder VRT
-
Leyts
Frederik, stafmedewerker Beleidsondersteuning VRT
-
Saeys
Frieda, hoogleraar Communicatiewetenschappen Universiteit Gent
-
Sliepen
Armand, secretaris BVN
-
Van
Beers Hans, voormalig lid Raad van Bestuur NOS
-
Van
Dammen René, studiedienst Publieke Omroep
-
Van de
Velde Paul, directeur-generaal Media van het ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap en regeringscommissaris bij de VRT